Geplaatst op

Natuur op de stoep: Europese hanenpoot


Hortus botanicus Leiden

25-sep-2022Grassen zijn niet de makkelijkst te herkennen stoepplantjes. Er zijn veel soorten, en in de loop van z’n ontwikkeling kan een grassoort behoorlijk van uiterlijk veranderen. Determineren met app of flora valt nog niet mee. Maar sla ze niet over, veel grassen zijn bijzonder sierlijk. Als u zich aan het herkennen van grassen op de stoep wilt wagen, dan is de Europese hanenpoot een mooie start.

Europese hanenpoot

Europese hanenpoot (Source: Tineke)

Europese hanenpoot is een plant uit de grassenfamilie. Het is een eenjarige plant, die laat in het voorjaar kiemt en pollen vormt. Europese hanenpoot komt soms massaal voor op zwaar bemeste akkers. Europese hanenpoot kan klein blijven, maar kan ook uitgroeien tot een plant van meer dan één meter hoog. Iets wat je van een gras misschien niet direct verwacht. Hij bloeit met vertakte aren die eerst groen, dan chocoladebruin tot paars gekleurd zijn. De bladeren bestaan uit een gevouwen bladschede en bladschijf. Kenmerkend voor dit gras is dat er geen tongetje op de overgang van de schede naar de schijf is, wat bij andere grassen meestal wel het geval is. Wel is een lichte, omgekeerde V-streep zichtbaar.

Paarsrood

De voet van de plant is soms paarsrood gekleurd. De kleine aartjes die samen de aren vormen staan dicht opeen en zijn eivormig met een wat spitse top. Aartjes bestaan uit twee bloemen, waarvan de onderste onvruchtbaar is en een tot naald uitgegroeid schutkafje heeft met nerven. De bovenste, vruchtbare, bloem is kleiner, heeft geen naald, en heeft twee kroonkafjes zonder nerven, die groen van kleur zijn. De schutkafjes vergroeien met de vrucht, het zaad dus. Grassen zijn windbestuivers en hoeven geen moeite te doen insecten te lokken. Dus is er geen nectar, geen gekleurde bloem en ook geen mooie landingsplaats voor ze te vinden.

Herkenbaar

Determinatie van grassen is lastig, maar deze soort is aardig herkenbaar. Er bestaat wel een stekelige hanenpoot (Echinochloa muricata) die erg op Europese hanenpoot lijkt. De stekelige hanenpoot komt ook voor in de stad. Hij  groeit graag in voedselrijke grond tussen het gemeentegroen en in niet-bijgehouden voortuinen.

Source: André Biemans

Source: André Biemans

Europeses hanenpoot heeft vaak een paarsrode kleur aan de voet, rechts is de stengel met aren te zien (Bron: André Biemans)

Merkwaardige naam

Met een beetje verbeelding zie je een hanenpoot in de pluimen

Met een beetje verbeelding zie je een hanenpoot in de pluimen (Source: André Biemans)

Europese hanenpoot heeft aren, die als duidelijke vingers aan weerszijden van de vrij lange bloeistengel schuin omhoog steken. Dat riep blijkbaar het beeld op van een hanenpoot met spoor. Maar merkwaardig blijft de naam wel. Er zijn bijvoorbeeld grassoorten met een veel duidelijker hanenpootvorm als pluim, die niet zo heten. Wel zijn er nog andere planten met de naam hanenpoot. Bijvoorbeeld zevenblad, die in het Fries ‘hoannepoat’ heet en elders ook de bijnaam hanenpoot gekregen heeft.
De wetenschappelijke naam Echinochloa crus-galli kan als volgt verklaard worden. Echinochloa laat zich splitsen in de delen ‘echino’ en ‘chloa’. Het eerste deel is Latijns voor stekel. Het tweede deel is afgeleid van het Griekse ‘chloros,’ wat ‘geelachtig groen’ betekent. Dit heeft te maken met de stevige naalden van de bloeiaren en de groengele tint van de bloeiwijze. ‘Crus-galli’ betekent hanenpoot. Het is altijd weer opvallend dat wetenschappelijke plantennamen vaak een samenraapsel zijn van Griekse en Latijnse termen, potjeslatijn dus. 

Herkomst en vindplaats

Hanenpoot is zoals gezegd een forse grassoort, die gedijt op voedselrijke plaatsen. We vinden hem vooral op en langs maïsakkers, maar ook in de goot in de stad. Overal waar concentraties van mest- en afvalstoffen ontstaan is de hanenpoot te verwachten. Hanenpoot is al zes- tot zevenduizend jaar geleden met de vroege landbouwers uit het Midden-Oosten naar hier meegekomen. Tegenwoordig komt de plant over de hele wereld voor, als het klimaat maar niet te koud is.

Consumptie en gebruik

Vogels zijn dol op de zaden, en er kan voor hen niet genoeg Europese hanenpoot op het veld staan. Voor de mens is dat anders. Alleen in Oost-Azië is een cultuurvorm gekweekt, die tamelijk grote zaden vormt. Deze kunnen snel geoogst worden – anderhalve maand na het zaaien – en leveren een goed bruikbaar graan.
In de rest van de wereld wordt hanenpoot gezien als een echte plaag voor de akkerbouw. Het is vanwege zijn snelle groeiwijze een plant die makkelijk kan gaan overheersen. Vooral in maïs is het een geducht onkruid. Dit gras is daar zeer concurrerend mee: waar hanenpoot groeit, groeit geen maïs. 
Hanenpoot lijkt nogal op maïs, al zou je dat niet direct zeggen. Beide planten zijn van (sub)tropische oorsprong en de zaden ontkiemen laat in het jaar. De plant is net als maïs een C4-plant, waarover verder meer. Een groot verschil tussen maïs en hanenpoot zijn de indrukwekkende kolven die maïs aanmaakt. Dat is mogelijk omdat hij mannelijke pluimen heeft. De vrouwelijke stempels, waaraan de maïskolven groeien, zitten in de bladoksels. De stevige stengel is krachtig genoeg om een grote kolf te kunnen dragen. Bij  hanenpoot is de pluim drager van mannelijke én vrouwelijke bloemen. De gevormde zaden kunnen niet groter worden dan de draagkracht van de pluimen.

Europese hanenpoot langs het fietspad

Europese hanenpoot langs het fietspad (Source: André Biemans)

Het gras kan een flinke bos vormen

Het gras kan een flinke bos vormen (Source: Tineke)

Werkzame stof: grasalcohol

Europese hanenpoot bevat net als de meeste grassen een geurstof die de typische graslucht veroorzaakt. Deze geur wordt veroorzaakt door de stof cis-3-hexenol, ook wel grasalcohol genoemd. Deze stof zorgt ook  voor de geur en smaak van groene thee. Het is een kleurloze, olie-achtige vloeistof. Het heeft een dubbele binding in cis-configuratie, waarvan de structuurformule er zo uit ziet.

Grasalcohol

Grasalcohol (Source: Piet Rieff)

Grasalcohol heeft een aantrekkingskracht op plantenetende insecten. Dat is merkwaardig. Waarom zou een plant insecten aantrekken om opgegeten te worden? Het lijkt een van de vele raadsels van de natuur te zijn. Men denkt wel dat gras niet veel last heeft van begrazing, omdat concurrerende planten dan ook worden opgegeten. Gras is goed in staat om daarna opnieuw op te komen, terwijl andere planten daar meer moeite mee hebben. 
Grasalcohol vindt toepassing als geurstof in de parfumindustrie. Het wordt ook als smaakstof gebruikt, bijvoorbeeld voor het verkrijgen of verbeteren van tomaten- en appelsmaak. Dat wordt pas sinds begin jaren zestig toegepast, toen men in staat bleek de stof synthetisch op commerciële schaal te fabriceren.

Koolstofassimilatie

Elke plant doet aan fotosynthese. De huidmondjes aan de onderkant van de bladeren nemen CO2 uit de lucht. De bovenkant van het blad ontvangt zonne-energie, die nodig is voor de chemische reacties die volgen. De plant zorgt er op deze manier voor dat er reacties kunnen plaatsvinden die leiden tot langere molecuulketens. Dat zijn de bouwstenen voor de verdere ontwikkeling van de plant. We gaan hier niet verder in op het tamelijk ingewikkelde kringloopproces van de fotosynthese, maar willen wel het onderscheid vermelden tussen C3- en C4-planten. 
Bij de C3-planten wordt in het hele fotosyntheseproces CO2 als eerste stap met behulp van enzymen omgezet in een molecuul met drie koolstofatomen. Dat is glycerinezuur-3-fosfaat, afgekort 3-PGA. De vervolgstappen leiden tot glucosevorming. C4-planten gebruiken een ander tussenmolecuul: oxaalazijnzuur, afgekort OAA. Dat molecuul heeft vier koolstofverbindingen. Hier volgen de structuurformules van deze verbindingen.

Oxaalazijnzuur

Oxaalazijnzuur (Source: Piet Rieff)

Glycerinezuur-3-fosfaat

Glycerinezuur-3-fosfaat (Source: Piet Rieff)

Fosforzuur. De stereometrische structuurformule van fosforzuur (H3PO4) en van glycerinezuur (CH2 OH — CHOH — COOH) zijn makkelijk terug te zien in glycerinezuur-3-fosfaat (Bron: Piet Rieff)

Er zijn nogal wat verschillen tussen C3- en C4-planten. Een belangrijke is dat de C4-planten veel sneller groeien, maar dat ze daarvoor meer warmte nodig hebben. C4-planten komen dan ook vooral voor in de tropen en de subtropen. In onze streken zijn ze afhankelijk van de vrij korte zomerperiode. Het zal u ongetwijfeld wel eens opgevallen zijn dat maïsakkers tot ver in het seizoen zo’n lege indruk maken. Daarna groeit de maïs in korte tijd uit tot uitzicht belemmerende hoge vegetaties. Blijkbaar is deze groeiwijze hanenpoot welgevallig, want hij is vaak in maïsvelden te vinden. Bestrijding met herbiciden is nauwelijks succesvol. Hanenpoot ontspruit als echte C4-plant laat in het seizoen, pas als het al warm genoeg is. Dan groeit hij zeer snel om nog zaad te vormen. Dat zaad blijft de komende jaren tot laat in het seizoen kiembaar. Ga er dan maar eens aan staan, om op tijd en op de juiste manier herbiciden in te zetten. Eindelijk een plant die wint van de chemische bestrijding. C4-planten zijn echter een minderheid. Er wordt geschat dat 95 procent van alle landplanten C3-planten zijn.

We genieten nog even van de herfst. Mocht het een koude Hollandse winter worden, dan is dat zowel voor maïs als hanenpoot geen probleem. Het zijn eenjarige planten, en het zaad overleeft de winter wel. Ziet u Europese hanenpoot op de stoep, meld het dan aan voor het stoepplantjesonderzoek

Tekst: Piet Rieff, Hortus botanicus Leiden
Foto’s: André Biemans, Tineke, Piet Rieff