Geplaatst op

Column Jac.P. Thijsse: In den trektijd


Heimans en Thijsse Stichting, Wageningen University

30-sep-2022De massale vogeltrek is elke herfst weer een bijzonder verschijnsel. Jac. P. Thijsse beschreef precies honderd jaar geleden op een mooie manier hoe hij de huidige fase van de trek, de ‘zingende trek’, ervaart in zijn tuin.

Je denkt misschien dat de vogels die je nu in de tuin ziet, dezelfde zijn als die er van de zomer zaten. Maar zeer waarschijnlijk is dat niet het geval. In zijn column van 30 september 1922 in de Amsterdammer (tegenwoordig de Groene Amsterdammer) beschrijft Jac. P. Thijsse (1865-1945) hoe dynamisch de vogelwereld in zijn tuin is tijdens de trek.

In den trektijd

Een groote wilde roos, kleurig van bottels, een flinke kamperfoelie, dik in de vruchten, drie groote vlieren, met bessen behangen, een meidoorn, een klimop vol met stoffige spinnewebben, een paar niet al te florissante conifeertjes onder en naast een eik, een kastanje en een hoge populier en de grond daaronder vol dor blad en molmende takken, ziedaar de eenvoudige inrichting, die het mij mogelijk maakt, om het heele jaar door ieder oogenblik besef te hebben van de groote gebeurtenissen in de vogelwereld. De rest van den tuin en de heele omgeving werken ook wel mee, maar het bonte wilde hoekje bij de studeerkamer is wel de hoofdzaak. Nu ik het lijstje overlees zie ik, dat ik nog een half doode zilverspar vergeten heb en een dichte Portugeesche laurierkers. Ik zou ze geen van beide willen missen, de laatste is als slaap- en schuilplaats zeer in trek en op dien dorren spar vertoonen al mijn gasten zich op hun voordeligst. De vlieren bloeien naar den straatkant en ik kan uit huis hun vruchttrossen dus niet goed zien. Heel erg is dat niet, want in dezen tijd komt het bij de vogelstudie toch weer meer aan op het gehoor dan op het gezicht. Al die kleine grijze zangvogeltjes zijn aan hun geluiden veel beter te herkennen dan aan kleuren of vormen.

De vogeltrek is nu in vollen gang en op geschikte plaatsen kunnen wij bij tijd en wijle het verschijnsel aanschouwen in al zijn indrukwekkende grootschheid: duizenden en duizenden vogels op weg naar hun winterverblijf, gedreven en geleid door allerlei onbegrepen invloeden. Hier in den tuin zijn het geen duizenden, maar op zijn hoogst dozijnen en de indrukwekkendheid maakt plaats voor innige bekoring. Iederen dag tot laat in October mag ik nieuwe gasten verwachten en meestal weet ik ’s morgens voor zonsopgang al, wie het zijn, want haast allen hebben de goede gewoonte, om hun dag te beginnen met een loflied. Sommige blijven een poosje, andere toeven niet langer dan een half etmaal, een enkele slaat hier zijn winterkwartier op.

Eind Augustus was het op zijn drukst, toen waren het vooral de tuinfluiters en de braamsluipers, die zich te goed deden aan de eerste vlierbessen en vrijwel den heelen dag zongen, de tuinfluiter zacht en bescheiden, heel anders dan in ’t voorjaar, de braamsluiper zeer gedecideerd, alsof hij er spijt van had, dat hij zich in Mei en Juni nog niet genoeg had laten gelden. In de eerste week van September werden de vlieren ontdekt door een afdeeling spreeuwen en sinds dien tijd zijn ze er elken dag. Dat maakt de studie iets moeilijker, want deze spreeuwen zijn thans zeer goed geluimd en zingen den heelen dag een andermans lied. Gelukkig gooien zij er van tijd tot tijd hun hoog gefluit door hebben, als om te waarschuwen, dat wat ik te hooren krijg van nachtegaal en leeuwerik, pieper, kievit, wulp, scholekster, meezen, lijsters voor negen tienden van de spreeuwen afkomstig is. Met de jaren ben ik er echter wat vaster in geworden en het gebeurt nu maar zelden, dat een spreeuw er in slaagt mij voor ’t lapje te houden.

Spreeuw

Spreeuw (Source: Luc Hoogenstein)

Toen zijn op een dag nog roodstaartjes gekomen en met hen een bont gezelschap van fitisjes en vliegenvangers en die wel in twee soorten: de gewone grijze met het domme gezicht en de buitengewoon mooie, zwartgrauwe vliegenvangertjes, de mannetjes in louter zwarte zijde en wit satijn, de wijfjes grijzer maar toch ook met het witte spiegeltje op den vleugel. Ik kan mij niet herinneren op den herfststrek zooveel zwart-grauwe vliegenvangertjes gezien te hebben als dit jaar. Dat duurt nu al vier weken lang en nog iederen dag kan ik er haast op rekenen, dat ik ze te zien krijg. De fitisjes hebben weer heel mooi gezongen, maar nu zijn ze aan ’t minderen en sinds een week is de kleine tjiftjaf de hoofdpersoon. Die is ’s morgens vroeg al aan ’t zingen. Overdag zoekt hij de conifeertjes af en als het hem voor den wind gaat, dan slaat zijn lokroep telkens over in het regelmatig tjif-tjafliedje. Daaraan hoor ik meteen, dat het vreemde gasten zijn, die in mijn tuin zingen. Mijn eigen tjif-tjaf, die in een manshoog conifeertje gebroed heeft, zong namelijk een heel eigen wijsje met een zeer versneld stuk midden in het maatvast gestamel. Die heb ik sinds midden Augustus niet meer gehoord, vermoedelijk is hij in die dagen al naar zijn winterverblijf vertrokken. Juist door zijn eenvoud is het tjiftjafliedje bijzonder geschikt voor het vaststellen van de individualiteit der zangers. Met eenige oefening ontdekt men al heel spoedig, dat er zeer veel verscheidenheid bestaat in den zang der tjiftjafjes en dat elke vogel zich nog al getrouw houdt aan zijn eigen type en zoo durf ik gerust te beweren, dat ik in de laatste veertien dagen op zijn minst vier verschillende tjiftjafs in mijn tuin heb gehad. Aan het gevederte zou je zoo iets onmogelijk kunnen constateeren. Driemaal in drie weken is er een doortocht geweest van heggemuschjes. Die gaan in nog al groote troepen en zingen onvermoeid. Of, als zij niet zingen, dan roepen ze elkaar nog toe met schelle kreten. In den loop van den voormiddag schuifelen ze over het pad en onder de struiken, vlekkig als musschen, maar hun roodbruine pooten, blauwachtig kopje en fijne snavel maken ze makkelijk herkenbaar als heggenmuschjes, die vroeger ook wel bastaardnachtegalen genoemd werden. Ze zijn dan ook aan de nachtegalen veel meer verwant, dan aan de musschen. Met de winterkoninkjes gaat het net al met de heggemuschjes, ook zij verschijnen soms op eens in troepjes van een stuk of vier strijdlustige schetteraars en wanneer het dan tegelijk ook ernst begint te worden met de roodborstjes, dan is echt op sommige dagen in den tuin haast net zoo druk en luidruchtig als op de beste dagen van Maart en in het bijzonder is dat het geval wanneer de winterkoning, de heggemusch en de roodborst, die mij de eer en het genoegen aandoen van den winter op mijn erf door te brengen, aangekomen zijn en nu hun soortgenoten laten weten, dat de plaats bezet is. Zoo gaat het ook met de merels, maar die protesteeren niet in liederen, docht alleen in hun alarmgetjingel, dat al gauw een winterschen bijsmaak heeft. De drukte in den tuin krijgt dan ook langzamerhand een ander karakter. Na half October is de ‘zingende trek’ zoo goed als afgeloopen en dan komen we langzamerhand in het tijdperk van de geregelde en ongeregelde zwerftochten van den wintertijd. Welke rol de wilde roos daarbij speelt, vertel ik misschien wel eens later.

Jac. P. Thijsse

Pareltjes

Het archief van de Heimans en Thijsse Stichting zit boordevol met verhalen, gedachten, correspondenties, ideeën en beelden van natuurbeschermers uit het verleden. Ze geven ons inzicht in hoe de natuur vroeger was, hoe men tegen de natuur aan keek en wat men deed of had moeten doen om de natuur te beschermen. In de archieven zitten nog heel veel onontdekte pareltjes.

Tekst: Arnold van Vliet, Heimans en Thijsse Stichting en Wageningen University & Research
Foto’s: Rik Kruit (leadfoto: tjiftjaf) & Luc Hoogenstein, Saxifraga