Geplaatst op

Meer ganzen in de wei betekent niet altijd minder opbrengst


Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW)

24-nov-2022Het lijkt zo logisch: meer ganzen eten meer gras, dus is er minder gras te oogsten voor de boer. Maar zo eenduidig lijkt het toch niet te zitten. Een internationaal team geleid door het Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW) doet nader onderzoek in Friesland: “Het aantal grazende ganzen is niet een-op-een te vertalen naar een verminderde grasopbrengst.”

Ganzen strijken vaak massaal neer op grazige weides om daar het gras op te eten dat voor het vee bedoeld is. Het zijn voor een groot deel trekvogels, die zich niet aan landsgrenzen houden. In ons land overwinteren elk jaar wel 2,4 miljoen ganzen, waarvan 1 op de 3 in de Friese weides. Daar zijn alleen al 500.000 brandganzen te vinden. De ganzen zijn niet door iedereen ‘gewenst’, vanwege de gevreesde landbouwschade. Door de groeiende ganzenpopulaties is het conflict tussen landbouw en ganzen in de afgelopen decennia toegenomen. Verschillende beheersmaatregelen zijn daarom in gebruik om die schade in toom te houden.

Om beheer met afschot te kunnen rechtvaardigen, is het belangrijk om te weten hoe begrazingsdruk en de wisselwerking tussen ganzensoorten de impact op grasland beïnvloeden. “Minder ganzen betekent niet automatisch minder schade,” zegt dierecoloog Nelleke Buitendijk van het NIOO. Het is een opvallende conclusie uit haar wetenschappelijke onderzoek dat net gepubliceerd is in het Journal of Applied Ecology. Dit is de eerste studie in een drieluik van Buitendijk en haar collega’s.

Ganzen in het vizier: de verschillende soorten ganzen vertonen verschillend gedrag. Wat betekent dit voor het ganzenbeleid op landbouwgronden?

Ganzen in het vizier: de verschillende soorten ganzen vertonen verschillend gedrag. Wat betekent dit voor het ganzenbeleid op landbouwgronden? (Source: Nelleke Buitendijk)

Beschermd

Het is nu misschien moeilijk voor te stellen, maar tot voor kort ging het erg slecht met de meeste ganzensoorten. De brandgans was met uitsterven bedreigd, en kreeg een beschermde status. Deze soort mag dus niet worden bejaagd. Maar er kan wel een vergunning worden afgegeven om op ze te schieten om ze weg te jagen, en zo schade te voorkomen.

Het huidige beleid in Friesland bestaat uit verjaging van de dieren en opvang op andere plekken. De landbouwvelden zijn verdeeld in twee gebieden: de verjagingszone en het zogenaamde accommodatie- of ganzenrustgebied. In het eerste gebied worden de ganzen actief verjaagd, bijvoorbeeld door het veld op te gaan, met lasers langs de grond te schijnen of (met vergunning) te schieten. In de accommodatiegebieden wordt juist niet opzettelijk verstoord. Hier kunnen de ganzen rustig grazen. “De bedoeling is dat de ganzen zo leren dat sommige gebieden gevaarlijk zijn, en dat ze die moeten mijden. Als het goed werkt nemen in de rustgebieden de aantallen ganzen toe, waardoor in die gebieden de schade per veld ook groter zal worden. Maar op het niveau van de provincie zou het weleens kunnen leiden tot minder schade,” denkt Buitendijk.

Geen rechte lijn

Buitendijk en collega’s combineerden de maandelijkse Sovon-tellingen van ganzen in de Friese rustgebieden met gegevens over de verplaatsingen van ganzen, die zij volgden via speciale GPS-zenders. De ‘graasdruk’ die dat opleverde, vergeleken ze met de geschatte opbrengstvermindering uit de officiële schaderapporten van BIJ12.

“Alleen voor brandganzen kunnen we een duidelijke relatie vaststellen tussen ganzen en schade,” legt ze uit. “Die relatie blijkt geen rechte lijn te zijn, maar het vlakt af: de schade per brandgans neemt af naarmate velden intensiever begraasd worden.” Naast het aantal ganzen moeten we ook rekening houden met de periode waarin de ganzen er zijn. Brandganzen blijven in het voorjaar langer in Nederland dan de grotere grauwe en kolganzen, tot na de eerste keer maaien. De grotere soorten vertrekken juist nog voor het gras begint te groeien. Hierdoor dragen niet alle ganzensoorten evenveel bij aan de schade. Daarnaast hebben de grotere soorten liever wat langer gras, wat ze met hun grotere snavel beter kunnen verwerken. Deze verschillen zorgen ervoor dat de twee grotere soorten minder voorkomen in de gebieden met de grootste schade.

Gevolgen voor het beheer?

Opties zoals populatiebeheer moeten voorzichtig worden ingezet, vinden de onderzoekers. Het resultaat van een beheersmaatregel kan namelijk heel anders uitpakken dan gedacht. “We zien ook dat de bijdrage aan de schade niet gelijk is voor de verschillende ganzensoorten. Daarom moet er goed worden opgelet dat beheer de juiste soort beïnvloedt,” waarschuwt Buitendijk.

“Deze onderzoeksresultaten vormen een stukje van de puzzel: om beter te kunnen begrijpen hoe ganzen kiezen waar en wanneer ze gaan grazen, hoe ze vervolgens hun voedselbron beïnvloeden en hoe mensen daar weer effect op kunnen hebben,” vertelt Buitendijk. “Door dit verder uit te pluizen kunnen we ganzenbeheer verbeteren, zorgen dat het goed blijft gaan met de ganzenpopulaties, maar ook conflicten tussen ganzen en mensen verminderen.”

Meer stukjes van de puzzel

Als vervolg op dit onderzoek bekijkt Buitendijk in een veldstudie de effecten van begrazing op de ontwikkeling van het gras. Als laatste volgt er een modelstudie waarin de onderzoekers alle kennis combineren, voor een beter inzicht in de effectiviteit van ganzenbeheer. “Het herstel van de ganzen in de afgelopen jaren is eigenlijk een groot succesverhaal, in een wereld waar juist steeds meer soorten verloren gaan,” stipt Buitendijk de positieve kant aan. “Nu moeten we nog een goede manier vinden om met die ganzen samen te leven.” De resultaten van de twee volgende studies, begin 2023 verwacht, gaan daar hopelijk bij helpen.

Meer informatie

Tekst: NIOO-KNAW
Foto’s: Nelleke Buitendijk, NIOO-KNAW (leadfoto: brandganzen)