Geplaatst op

Vergroten grazers het stikstofprobleem in de natuur?


Staatsbosbeheer

28-dec-2022Het vele vee in het land is een van de oorzaken van het stikstofprobleem. De natuur lijdt onder een te grote stikstoofuitstoot. Toch staan er in natuurgebieden ook vaak grazers. Is dat dan niet schadelijk voor de natuur?

Grazers in de natuur verstoren de balans niet

Meta Rijks, senior adviseur ecologie bij Staatsbosbeheer: “Nee, grazers vergroten het stikstofprobleem in de natuur niet. Stikstof is een voedingsstof die vanouds in de natuur voorkomt en daar een belangrijke rol vervult. Het probleem is pas ontstaan toen er heel veel extra stikstof werd uitgestoten, naar de lucht en naar het grondwater. Deze stikstof hoopt zich op in de natuur waardoor sommige planten – de stikstofminnende planten – gaan woekeren en er ruigte ontstaat. Andere planten krijgen daardoor geen kans. Dit leidt tot een eenzijdige vegetatie met grote gevolgen voor de biodiversiteit. In sommige natuurgebieden zetten we grazers in, mede omdat zij die stikstofminnende planten opeten. Ze eten dus juist eerst de stikstofrijke vegetatie op. Met hun ontlasting en urine komt die stikstof weer terug in de natuur. Het totaal aan stikstof blijft ongeveer gelijk; de balans wordt niet verder verstoord.”

Verschil met koeien in de wei

Rijks: “Als koeien zich alleen voeden met gras uit hun onbemeste wei, zou de balans ook niet verder verstoord worden. Maar dat is bijna nooit het geval. Meestal wordt die wei bemest, met drijfmest uit bijvoorbeeld de bio-industrie en met kunstmest. De extra stikstof hieruit komt zowel in het dier als in het milieu terecht. Het tweede verschil is dat de koeien worden bijgevoerd met voedsel dat niet uit hetzelfde gebied komt. Het komt vaak niet eens uit Nederland. Bovendien wordt niet al het eiwit dat in het krachtvoer zit, opgenomen door de koeien. Dit komt terecht in de mest en urine. Wanneer die op het land worden uitgereden, verdampt de stikstof uit de urine in de vorm van ammoniak. Via de lucht komt de ammoniak terecht in andere gebieden. Ook komt er uit de mest en urine direct meer stikstof in de grond dan de bodem kan verwerken, waardoor het in het grondwater terecht komt. En via het grondwater ook in natuurgebieden.”

Voordeel van grazers

Hoewel grazers in de natuur dus niet voor méér stikstof in een natuurgebied zorgen, wordt het er maar een beetje minder door. Rijks: “Hun voordeel is vooral dat ze voorkomen dat stikstofminnende planten teveel gaan woekeren. Ze houden de vegetatie open, zodat planten die lager zijn en minder hard groeien, toch voldoende licht krijgen. Die kleinere planten profiteren ook van de plekjes die grazers met hun poten of hoorns opentrappen: dat zijn mooie kiemplekken. Toch helpen de grazers ook wel iets om de toevloed aan stikstof te beperken. Als dieren ’s nachts naar bijvoorbeeld een potstal gaan – wat vaak voor schapen geldt – laten zij daar een groot deel van hun ontlasting achter. Daarmee onttrek je dus ook stikstof aan de natuur. Maar de mest uit de potstal moet dan natuurlijk wel goed verwerkt worden. Op kleinere schaal zie je dat bijvoorbeeld grazende paarden en ezels mestplaatsen maken in de natuur. Dat helpt juist om stikstof te verarmen op de graasplekken en te concentreren op de mestplaats, wat bijdraagt aan de variatie in het terrein. In de landbouw wordt dit tegengegaan.”

Urine en ontlasting 

En hoe zit dat met de gevolgen van urine en ontlasting? Rijks: “In de veeteelt zie je bij dieren die in stallen worden gehouden, dat urine en ontlasting vaak bij elkaar komen. Dankzij een chemische reactie ontstaat zo meer ammoniak. Ammoniak is een gas dat vervliegt, elders weer neerslaat en alsnog in de bodem komt. Bij dieren in de natuur ontstaat die ammoniak veel minder. In de eerste plaats doordat ze minder eiwit binnenkrijgen en in de tweede plaats omdat de urine en ontlasting op verschillende plekken terechtkomt. Ammoniak in de natuurbodem is extra schadelijk. Het produceert daar zuren die essentiële ‘bufferstoffen’ uit de bodem losweken en doen uitspoelen naar diepere bodemlagen. Daar raken die bufferstoffen buiten bereik van planten en schimmels, waardoor veel soorten van bijvoorbeeld arme zandbodems het erg moeilijk krijgen. En uitsterven.”

Maaien versus begrazen

Naast begrazen, is maaien natuurlijk ook een goede manier om vegetatie open te houden. Rijks: “Het voordeel van maaien is dat je het maaisel kunt afvoeren. Hiermee haal je de in planten opgeslagen stikstof uit het gebied. Soms is dat handig, vooral als er veel stikstof is opgehoopt zoals in tot voor kort bemeste gronden. Maar maaien en afvoeren heeft ook een prijs: het vraagt toegang van zware machines die de bodem kunnen beschadigen en die zelf ook (een beetje) stikstof uitstoten. Een ecologisch nadeel is dat je niet alleen de stikstofminnende planten maait, maar alle vegetatie, ook de planten die je juist wil laten staan. Na de maaibeurt is het even heel kaal. Het voordeel van begrazen is dat de dieren maandenlang aanwezig zijn. Door hun gedrag zorgen ze voor heel veel variatie in de hoogte van planten en veroorzaken ze kleine kale plekken. Dat is weer gunstig voor kleine dieren. Daarom kiezen we in sommige gebieden voor begrazen en in andere voor maaien. Het is maatwerk.”

Meer informatie

  • Lees meer over hoe grazers helpen met natuurbeheer.

Tekst en foto’s: Staatsbosbeheer
Foto: Twan Teunissen (leadfoto: galloway-rund)