Geplaatst op

Invasieve waterteunisbloemen nu echt met grote opmars bezig


Stichting Bargerveen

13-jan-2023Al sinds de Europese verordening voor invasieve exoten per 2015 van kracht is gegaan, staan er twee soorten waterteunisbloemen op de Unielijst. Voor de kleine waterteunisbloem geldt volgens deze verordening een uitroeiingsverplichting en voor de waterteunisbloem een beheersverplichting. Echter, in de praktijk worden er nog weinig maatregelen tegen beide soorten getroffen.

Tien jaar geleden kwam de kleine waterteunisbloem (Ludwigia peploides) op één locatie in Nederland voor, in de Tiengemeten. Momenteel zijn er in Nederland tien besmette locaties aanwezig. Voor waterteunisbloem (Ludwigia grandiflora) is deze opmars in de afgelopen tien jaar veel groter geweest, zowel in het aantal besmettingen als in de biomassa van de besmettingen. Momenteel zijn er in elke provincie meer dan vijftien besmettingen aanwezig. Volgens de NDFF zijn dit er voor onder andere Zeeland, Noord-Brabant en Groningen nog veel meer. Dit is een trend die ook in andere Europese landen is waar te nemen. In Frankrijk zijn bijvoorbeeld vele meren in natuurgebieden compleet overwoekerd. 

Waterteunisbloem in oeverhabitat

Waterteunisbloem in oeverhabitat (Source: Olivier Pichard)

Grote besmettingen in het Lauwersmeer

Waterteunisbloem komt oorspronkelijk uit Zuid- en Centraal-Amerika, waar de planten wortelen in open plekken in de oeverzone van stilstaande tot langzaam stromende zoete wateren. Het Lauwersmeer, gelegen in de provincie Friesland en Groningen, is geschikt gebleken voor deze plaagsoort. De plant is hier tot ontwikkeling gekomen in de ondiepe oeverzone. Vervolgens hebben stengels zich uitgebreid over het wateroppervlak en dreigen zich, zonder maatregelen, tot dichte pakketten of drijvende matten te ontwikkelen. Deze nemen snel in biomassa toe. De plant kan zijn biomassa in vijftien tot negentig dagen verdubbelen, waarbij de stengels tot drie meter lang worden. Losse stengelstukken kunnen meedrijven met stromingen en verderop in de oeverzone opnieuw uitlopen, waardoor nieuwe groeihaarden ontstaan.

Het Lauwersmeer is een Nationaal Park en de waterteunisbloem vormt een risico voor dit vogelparadijs. Het is vooral de massaliteit die voor negatieve effecten zorgt: inheemse planten worden verdrongen en een groot deel van de aanwezige waterfauna verdwijnt. Voedselplanten voor watervogels worden verdwijnen en foerageergebieden verarmen. En dit alles naast de veranderingen in waterkwaliteit door afstervende plantendelen in het najaar en de belemmering van de doorstroming van water. Door deze verminderde doorstroming wordt er ook meer sediment op de bodem afgezet. Dit heeft gevolgen voor de bodemprocessen, het bodemleven en de helderheid van het water. Tevens leidt het tot verontdieping en uiteindelijk verlanding. Dit faciliteert de uitbreiding van waterteunisbloem nog meer (positieve feedback) doordat er steeds meer geschikt habitat voor de soort ontstaat. Gelukkig is het in het Lauwersmeer nog niet zo ver, maar dit vormt voor de vele ondiepe oeverzones in het meer wel een groot risico. 

Verspreiding waterteunisbloem in het Lauwersmeer (2017-2023)

Verspreiding waterteunisbloem in het Lauwersmeer (2017-2023) (Source: Waarneming.nl)

Is de opmars nog te stoppen?

Waterteunisbloem is een moeilijk te bestrijden soort doordat de planten gemakkelijk in stukken breken en van daaruit opnieuw uitlopen. De fragmenten die in de bodem achterblijven of op het water wegdrijven, vormen zo kiemen voor nieuwe groeihaarden. Voor zowel kleine waterteunisbloem als waterteunisbloem zijn er meerdere maatregelen voor uitroeien dan wel beheersen beschikbaar. Zo zijn beide soorten intolerant voor zout water. Een inlaat van zout water kan daarom resulteren in het afsterven van de planten, maar dat geldt dan vaak ook voor de nog aanwezige inheemse vegetatie. Het verwijderen van zoveel mogelijk planten- en wortel(delen) is de meest effectieve maatregel om uitbreiding van de soort tegen te gaan. Welke methode het meest geschikt is, hangt af van de aard van de besmetting (onder andere vindplaats, oude besmetting, besmettingsgraad), de locatie (onder andere functie, afmetingen, toegankelijkheid), de aanwezigheid van bovenstroomse aanvoer en de beschikbare capaciteit. Kleine populaties op goed bereikbare plekken kunnen handmatig worden verwijderd. Voor grotere besmettingen zijn machinale technieken nodig. Het is daarbij belangrijk dat men voldoende hygiënemaatregelen neemt om te voorkomen dat de planten opnieuw uitlopen of dat fragmenten zich stroomafwaarts kunnen verspreiden.

Een ecosysteemgerichte aanpak

Aanvullend is het wellicht mogelijk de soort terug te dringen middels systeemgerichte maatregelen. Deze maatregelen bestaan uit het stimuleren van inheemse vegetatie, zoals riet en wilgen, in de oeverzones. Dit jaar starten de eerste onderzoeken naar de effectiviteit van deze methode tegen waterteunisbloemen. Welke aanpak ook wordt toegepast: een nauwgezette opvolging en handmatige nazorg is vereist gedurende enkele jaren na verwijdering. Met een jaarlijkse monitoring van oevers op het voorkomen van waterteunisbloem aan het begin van het groeiseizoen kunnen potentiële uitbraken vroeg worden gedetecteerd. Dit geldt natuurlijk ook voor nieuwe besmettingen in eerder onbesmette gebieden: voorkomen is beter dan genezen en voor genezen geldt dat dat het beste gaat wanneer de patiënt nog te redden is.

Tekst: Janneke van der Loop, Stichting Bargerveen
Foto’s: Krzysztof Ziarnek, Wikimedia Commons (leadfoto: waterteunisbloem); Olivier Pichard, Wikimedia Commons; Waarneming.nl