Bezemdophei

Bezemdophei prefereert zonnige tot licht beschaduwde, droge tot natte, voedselarme en zure silicaatbodems, ook op voedselarm, zuur duinzand. Ze groeit in bossen en in natte en droge heiden. In Nederland staat ze in kalkarme duinheide, aan de rand van vochtige, zure duinvalleien en in lichte dennenaanplantingen. Het natuurlijk voorkomen van deze plant is beperkt tot Zuid- en Zuidwest-Europa. De soort is zeer zeldzaam op Terschelling, waar ze ingeburgerd is tussen 1925 en 1949. In het verleden is de plant ook aangetroffen op Vlieland en Texel en bij Callantsoog maar heeft zich hier niet kunnen handhaven. Bezemdophei zou met het transport van landmijnen op de Wadden terecht zijn gekomen. De plant is goed herkenbaar aan de kleine bloemen, de meeldraden dragen geen aanhangels en steken niet of nauwelijks buiten de kroon uit. De bladeren bezitten verder aan de onderkant 2 overlangse groeven. Bestuiving geschiedt door hommels en bijen, het fijne zaad wordt door de wind verspreid.