Blauwe monnikskap

Blauwe monnikskap prefereert half beschaduwde tot beschaduwde, koele, basenrijke, vochtige, matig voedselrijke tot voedselrijke klei- en leembodems. Ze verdraagt volle zon mits de bodem voldoende vochtig blijft. Deze gebergteplant (die meestal op een hoogte tussen 1.000-2.000 m staat) groeit in open bossen, in bosranden en struwelen, aan beekoevers, in ruigten en in graslanden. Het gesloten Europese areaal omvat Midden- en West-Europa, van Zuid-Engeland tot de Karpaten in het oosten en verder op enige plaatsen in Zuid-Scandinavië. Het taxon wordt als tuinplant gebruikt, kan verwilderen en kan dan lang standhouden. In Nederland verwildert de plant zeer zeldzaam, het meest nog in het oostelijke rivierengebied en in het zuidoosten van het land en slechts een enkele keer daarbuiten. Net als alle soorten van dit geslacht heeft de plant een “rijke” geschiedenis als gifplant waar ook oude namen als Duivelskruid en Wolfsdood op wijzen. Maar ze werd en wordt echter ook medisch aangewend. Zie ook Aconitum x stoerkianum en A. vulparia.