Bolderik

Bolderik staat op open, zonnige en vochtige, matig voedselrijke, meestal kalkrijke löss-, zand-, leem- en kleibodems. Ze groeit in rogge- en wintergraanakkers, maar wordt ook als sierplant gebruikt. De plant was wereldwijd verspreid als graanonkruid, maar is overal zeer sterk achteruit gegaan. In Nederland was de soort zeldzaam, het meest nog in Zuid-Limburg en in het rivierengebied. De oorzaak van de zeer sterke achteruitgang is de hedendaagse zaadzuivering en de intensievere akkerbouw. De plant is viltig behaard, heeft langwerpige, spitse bladeren en alleenstaande, tweeslachtige, paarse of zelden witte bloemen. De vijf spits uitlopende kelkslippen zijn langer dan de kroonbladen die bestaan uit een lange nagel en een breed afgerond en tot iets ingesneden plaat. De na bestuiving gevormde, zwarte zaden zijn giftig door saponinen en kortlevend. Ze is in Nederland tegenwoordig alleen nog bekend van enkele akkerreservaten of als verontreiniging in graan of fazantenvoer. De giftige zaden werden vroeger samen met het graan geoogst en tot meel vermalen en veroorzaakten ernstige gezondheidsklachten en soms erger.