Gele monnikskap

Gele monnikskap staat op beschaduwde tot half beschaduwde, vochtige, vrij voedselarme tot matige voedselrijke, kalkhoudende leem-, löss- en mergelgrond, verder op stenige plaatsen. De zeer giftige plant groeit in natte loofbossen, vooral langs beken en in de omgeving van bronnen. Het verspreidingsgebied van deze Midden-Europese bergplant bereikt in het westen nog juist Nederland en België. Ze is alleen langs de Geul in Zuid-Limburg als wilde plant aangetroffen maar wordt elders ook aangeplant. De vondsten in Zuid-Limburg sluiten aan bij de vroegere Belgische vindplaatsen. Langtongige hommels zorgen voor de kruisbestuiving. Aconitum heeft een lange en bewogen geschiedenis als gifplant. Niet alleen werd het als pijlgif gebruikt maar het was ook als dodelijk venijn een geliefd middel. Daarnaast had het ook een faam als geneesmiddel. Ook nu wordt het nog aangewend om het hart te stimuleren en tegen heftige pijnen.