Kleinbloemige amsinckia

Kleinbloemige amsinckia prefereert open, zonnige, droge, voedselrijke, vrij kalkarme zandgrond. Ze groeit in graan- en hakvruchtakkers, in bermen, op omgewerkte grond en langs duinpaden. De soort stamt oorspronkelijk uit het westen van Noord-Amerika en is thans in een aantal Europese landen ingeburgerd. De plant is algemeen op Texel, elders zeldzaam, vnl. in de Veluwezoom, Noord-Brabant, Midden-Limburg en in de duinen van Zeeland, Noord- en Zuid-Holland. De plant is met granen, sojabonen, kippen- en fazantenvoer in Europa ingevoerd.. Ze verdraagt veel stikstofbemesting en kan zich agressief uitbreiden. De bloemen zijn geel en bezitten geen keelschubben, de scherpe haren kunnen huidirritaties bij mensen veroorzaken. De zaden zijn donker grijsbruin, fijn wrattig en voorzien van dwarsribbels. Vroeger werd de plant om haar eiwitrijkdom als veevoer gebruikt, maar dat is riskant vanwege de aanwezige alkaloïden en het hoge gehalte aan nitraten. De Amerikaanse indianen gebruikten de plant niet alleen als voedsel maar ook medicinaal.