Kruipende boterbloem

Kruipende boterbloem staat op zonnige tot beschaduwde, open tot grazige, vochtige tot natte, matig voedselrijke tot zeer voedselrijke, vaak wat verdichte en/of verstoorde, niet te zure bodems die uit vrijwel alle grondsoorten kunnen bestaan. De vaak als pionier optredende plant verdraagt droogte en veel schaduw. Ze groeit in moerassen en duinvalleien, in bermen en akkers, in tuinen en plantsoenen, op braakliggende en/of omgewerkte grond, in ruigten en broekbossen, in graslanden en uiterwaarden, in loof- en naaldbossen, in geulen en aan waterkanten. De plant is inheems in de gematigde en koude streken van Europa, Azië en Noordwest-Afrika en is als cultuurvolgers bezig kosmopolitisch te worden. De soort is zeer algemeen in heel Nederland. De plant is goed herkenbaar aan haar bovengrondse, bebladerde en op haar knopen wortelende uitlopers. Verder zijn de stengels gegroefd en is het middelste topblaadje van de lange, drietallige rozetbladeren duidelijk gesteeld. De gelijkende zeer zeldzame Kalkboterbloem maakt geen uitlopers en heeft een sterk gebogen vruchtnagel.