Slangenwortel

Slangenwortel staat op zonnige tot licht beschaduwde en beschutte plaatsen in of aan ondiep, zuurstofarm, ± voedselrijk, stilstaand tot zwak stromend, matig zuur tot zwak basisch, ± stikstofrijk, zoet water boven een bodem van laagveen, leem of zand met een dikke laag organisch materiaal. Ze groeit in moerassen en kleine laagveenplassen, op drijftillen, in en langs oevers van al dan niet verlandende sloten, van vaarten, beken en rivierarmen en soms in moerasbossen. Nederland valt geheel binnen het Europese deel van het areaal. De plant is zeldzaam in het oosten en midden van het land en in het Hollands-Utrechts en Noordwest-Overijssels laagveengebied. Het schutblad van deze onmiskenbare soort is van buiten groen en van binnen wit en is langer dan de bloeikolf. Bestuiving geschiedt door insecten en de gevormde, 5 mm grote bessen zijn rood gekleurd. De wortelstokken werden vroeger in tijden van schaarste gebruikt bij de bereiding van brood.