Zandwolfsmelk

Zandwolfsmelk staat op zonnige, open plaatsen op droge, niet bemeste, basenrijke, vaak kalkhoudende, zandige tot lemige bodems. In Nederland gedraagt Zandwolfmelk zich als een typische stroomdalplant van droge, open plaatsen. Ze staat op rivierdijken, op rivierduinen, in graslanden, in bermen en langs spoorwegen. Deze notoire steppeplant bereikt als westelijke uitloper nog net Nederland. De soort is sinds 1950 zeer sterk afgenomen ten gevolge van het agrarisch intensievere gebruik van haar biotoop, met name bemesting. Verwarring met Heksenmelk komt nogal eens voor maar is te vermijden door aandacht te besteden aan de bladeren. Bij niet bloeiende stengels bedekken ze bij Zandwolfsmelk elkaar dakpansgewijs en zijn ze lijnvormig tot smal langwerpig. Verder zijn ze blauwgroen, gaafrandig, niet gesteeld en hebben een spitse top met een stekelpunt. Aan de voet van de hoofdnerf ontspringen 2 zijnerven, die halverwege het blad in de bladrand eindigen en verder springt de hoofdnerf aan de bovenkant van het blad uit.