Grote parelmoervlinder

Herkenning
Kenmerk: Voorvleugellengte: 23-29 mm. De bovenkant van de vleugels is oranje met zwarte vlekken en stippen. De grondkleur van de onderkant van de achtervleugel is geelbruin met een groene zweem en er zijn witte parelmoervlekken aanwezig.

Kenmerken rups: Tot 38 mm; lichaam fluweelzwart met zwarte doorns en onder de spiracula een rij oranjerode vlekken; kop glimmend zwart.

Ecologie
Duingraslanden, droge heischrale graslanden op lemige bodems, blauwgraslanden en kalkgraslanden.
De vegetaties waarin de soort leeft, zijn vaak rijk aan verschillende soorten kruiden en hebben een structuur waarin open grond, lage en hoge vegetaties elkaar afwisselen. In de schrale delen komt de waardplant voor, in de ruigere delen vindt de vlinder nectar. Gemiddeld heeft de grote parelmoervlinder iets minder open grond en een wat hogere vegetatie nodig dan de duinparelmoervlinder. De soort heeft een groot leefgebied nodig.

Voorkomen
Een zeer zeldzame standvlinder die alleen nog voorkomt op de Waddeneilanden en de Hoge Veluwe.

Levenscyclus
Rups: begin augustus-eind juni. De soort overwintert als pas uitgekomen rups in de strooisellaag. Jonge rupsen eten ‘s avonds en ‘s nachts en verbergen zich overdag in omgekrulde bladeren. Grotere rupsen maken een tentvormig spinsel van grasbladeren, laag in de vegetatie en verpoppen in de top daarvan.

Vliegtijd
Begin juni-eind augustus in één generatie. De vlinders besteden veel tijd aan het zoeken naar nectar; belangrijke nectarplanten zijn akkerdistel, kale jonker en braam.

Waardplant
Diverse soorten viooltjes: duinviooltje, hondsviooltje, moerasviooltje en ruig viooltje.

Eikenpage

Herkenning
Kenmerk: Voorvleugellengte: circa 16 mm. Bij het mannetje heeft de bovenkant van zowel de voor- als de achtervleugel een blauwpaarse glans. Bij het vrouwtje ontbreekt die glans op de bovenkant van de achtervleugel, die donkerbruin tot zwart van kleur is; op de bovenkant van de voorvleugel bevindt zich een blauwpaarse vlek. De onderkant van de vleugels is overwegend grijs. Aan de achtervleugel bevindt zich een klein staartje.

Kenmerken rups: Tot 15 mm; breed en kort, naar de randen afgeplat; lichaam roodachtig bruin met over het midden van de rug een donkere grijsachtig bruine streep, die aan weerszijden door een aantal schuine, donkerbruine strepen wordt afgezet; onder de spiracula loopt een witachtige lengtestreep; kop klein, donkerbruin en voor een deel in het lichaam teruggetrokken.

Ecologie
Grotere eiken in zonnige bosranden, eikenlanen, houtwallen, parken, binnenduinen en open plekken in het bos.
De eikenpage leeft alleen bij grotere eiken. Deze kunnen groeien in zonnige bosranden, eikenlanen, houtwallen, parken, binnenduinen en bij open plekken in bossen. Ook leeft de soort soms bij vrijstaande eiken. De vlinder kan overal voorkomen waar zulke eiken staan, maar het meest wordt hij gevonden op de voedselarme zandgronden.

Voorkomen
Een vrij schaarse standvlinder die voorkomt op de zandgronden in het binnenland en in de duinen.

Levenscyclus
Rups: half april-eind juni. Jonge rupsen boren zich in een bladknop; grotere rupsen leven in een ijl spinsel en fourageren vooral ‘s nachts. De verpopping vindt plaats in een losse cocon in de strooisellaag of tussen schors van een stam of dikke tak. De soort overwintert als ei bij de knoppen aan het uiteinde van een twijg.

Vliegtijd
Begin juli-eind augustus in één generatie. De vlinders voeden zich vooral met honingdauw; soms met nectar van sporkehout, boerenwormkruid, braam of distels. ‘s Morgens komen eikenpages soms naar de grond om te drinken van dauw of water uit vochtige aarde. De vlinders vliegen vaak tot laat in de avond rond de kruinen van eiken.

Waardplant
Zomereik; soms andere soorten eik. De voorkeur gaat uit naar hoge bomen die op zonnige plaatsen groeien.

Duinparelmoervlinder

Herkenning
Kenmerk: Voorvleugellengte: 23-30 mm. De bovenkant van de vleugels is oranje met zwarte vlekken en stippen. De onderkant van de achtervleugel heeft een gele zweem en de tekening is niet bijzonder contrastrijk. De achterrandvlekken zijn driehoekig. Er bevindt zich een rij kleine witte vlekken met roodbruine rand op de onderkant van de achtervleugel. In de middencel van de onderkant van de achtervleugel ligt een kleine gele of witte vlek waarin vaak (maar niet altijd) een zwarte stip zit.

Ecologie
In de duinen: open duingraslanden en vochtige duinvalleien. In het binnenland: open, droge, schrale graslanden en droge kruidenrijke heide.rnZowel de graslanden als de heiden hebben soortenrijke vegetaties met een mozaïekstructuur en een geleidelijke overgang in hoogte en soortensamenstelling. In de droge, schrale open delen groeien de viooltjes, in de ruigere delen groeien de nectarplanten. Het leefgebied heeft gemiddeld een meer open structuur dan dat van de grote parelmoervlinder. Dit houdt vermoedelijk verband met de grotere warmtebehoefte van de duinparelmoervlinder, die in Nederland zijn areaalgrens bereikt.

Voorkomen
Een zeldzame standvlinder die vooral voorkomt in de duinen van Noord-Holland en op de Waddeneilanden. Tot het begin van deze eeuw kwam hij ook nog voor op de Hoge Veluwe.

Levenscyclus
Rups: begin april-eind juni. De soort overwintert als ei in de strooisellaag. De rupsen komen in het voorjaar tevoorschijn en zijn geregeld zonnend aan te treffen.

Vliegtijd
Eind mei-eind augustus in één generatie. De vlinders voeden zich met nectar van verschillende kruiden, waaronder slangenkruid, koninginnenkruid en akkerdistel. De mannetjes maken patrouillevluchten om een vrouwtje te vinden.

Waardplant
Diverse soorten viooltjes: in de duinen duinviooltje en hondsviooltje, in het binnenland vooral hondsviooltje.

Dagpauwoog

Herkenning
Kenmerk: Voorvleugellengte: 24-31 mm. Een roodachtig bruine vlinder met op de bovenkant van alle vier de vleugels een grote opvallende oogvlek. De onderkant van de vleugels is zwart.

Kenmerken rups: Tot 42 mm; lichaam zwart, fijn wit gespikkeld en met lange zwarte doorns op rug en flanken; buikpoten geelachtig bruin; kop glimmend zwart.

Ecologie
Vooral ruige graslanden, bloemrijke randen van bos- en heidegebieden, dijken, parken en tuinen.
De rupsen van de dagpauwoog leven op brandnetels die groeien op vochtige, halfbeschaduwde plaatsen aan randen van bossen, velden of nabij de waterkant. De vlinders zoeken nectar in een groot aantal biotopen zoals ruige graslanden, bloemrijke randen van bos- en heidegebieden, dijken en tuinen. De hoogste dichtheid aan vlinders wordt gevonden in droge graslanden.

Voorkomen
Een zeer algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt.

Levenscyclus
Rups: eind april-half juli en in de maand september. Jonge rupsen leven in groepen in spinselnesten, volwassen rupsen leven solitair. De verpopping vindt meestal plaats op de waardplant, maar soms op een struik of muur in de omgeving daarvan. De soort overwintert als vlinder op een vochtige en koele plaats in een boom of gebouw.

Vliegtijd
Eind juni-oktober en na de overwintering van begin maart-eind mei in één generatie. De vlinders voeden zich met nectar van verschillende soorten planten. In het voorjaar houdt het mannetje een territorium bezet.

Waardplant
Grote brandnetel.

Gehakkelde aurelia

Herkenning
Kenmerk: Voorvleugellengte: 20-26 mm. De bovenkant van de vleuels heeft een oranje grondkleur met zwarte vlekken. De donkerbruine achterrand van zowel de voor- als de achtervleugel is sterk gekarteld. Op de onderkant van de achtervleugel bevindt zich een kleine witte C.

Kenmerken rups: Tot 35 mm; lichaam zwart met oranjebruine lengtestrepen en een uitgebreide witte vlek over de achterste helft van de rug, waarop de doorns ook wit zijn; de overige doorns zijn bleek oranjebruin; kop zwart met twee fijngedoornde uitsteeksels.

Ecologie
Bosranden, open plekken in het bos, parken en tuinen.
De vlinders vliegen vooral op luwe, zonnige, vrij vochtige plaatsen nabij ruigten. De soort vindt daar geschikte nectarplanten maar bezet er ook territoria. De hoogste dichtheden worden gevonden in droge graslanden, maar dit betreffen vermoedelijk nectar zoekende individuen; droog grasland is doorgaans een ongeschikt leefgebied voor de rupsen.

Voorkomen
Een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt. Tot de jaren tachtig van de vorige eeuw werd de soort weinig waargenomen in het noorden en westen van het land, maar sinds die tijd heeft de gehakkelde aurelia zich steeds verder uitgebreid.

Levenscyclus
Rups: begin mei-oktober. De rupsen leven op de bovenkant van de bladeren, waar ze niet opvallen omdat ze net een vogelpoepje lijken. De verpopping vindt plaats in de vegetatie, op of in de buurt van de waardplant. De soort overwintert als vlinder vlak bij de grond, bijvoorbeeld aan de onderkant van boomwortels, in een holle boom of tussen takkenbossen of afgevallen bladeren; zelden in gebouwen. De eieren worden afgezet op een bladrand van de waardplant.

Vliegtijd
Maart-oktober in twee elkaar overlappende generaties. De vlinders voeden zich met nectar van verschillende planten en drinken ook van plassen of mest; in het najaar zijn ze geregeld aan te treffen op rottend fruit.

Waardplant
Vooral grote brandnetel; ook hop, iep, ribes, wilg en hazelaar.

Bruin blauwtje

Herkenning
Kenmerk: Voorvleugellengte: circa 13 mm. Zowel bij het mannetje als bij het vrouwtje is de bovenkant van de vleugels bruin zonder bestuiving; langs de achterrand bevindt zich meestal een volledige rij opvallende oranje vlekken. De onderkant van de vleugels is lichtbruin; het vrouwtje heeft geen blauwe bestuiving. De zwarte vlekken op de onderkant van de voorvleugel zijn groot en opvallend, de zwarte vlekken op de achtervleugel zijn klein. De vleugeladers lopen door in de franje, waardoor deze geblokt lijkt.

Kenmerken rups: Tot 11 mm; vrij dik, naar de uiteinden versmald; lichaam groen met over de rug een purperachtig groene middenstreep met aan weerszijden een aantal donkergroene, schuine strepen; onder de spiracula loopt een gele, met rood afgezette lengtestreep; kop zwart, in het lichaam teruggetrokken.

Ecologie
Droge, zandige, open, kruidenrijke en schrale graslanden en kalkgraslanden.
Voor het bruin blauwtje geschikte graslanden worden gevonden in de duinen, op dijken en rivierduintjes, in wegbermen en op opgespoten en ruderale terreinen. De vlinder vliegt vooral op warme, droge plaatsen en heeft een voorkeur voor gebieden met een afwisseling van open grond en begroeide plaatsen. In het buitenland vliegt deze soort vooral in kalkgraslanden en is de waardplant vooral geel zonneroosje. In Nederlandse kalkgraslanden komt deze soort vrijwel niet voor en is de waardplant een ooievaarsbek.

Voorkomen
Een vrij schaarse standvlinder die tegenwoordig vooral nog voorkomt in de duinen en in opspuitterreinen in Zeeland en Noord- en Zuid-Holland. Langs de grote rivieren is het bruin blauwtje op veel plaatsen verdwenen, maar lokaal komt hij daar nog wel voor. In Zuid-Limburg heeft de soort enkele populaties, die aansluiten bij het voorkomen in Duitsland en België.

Levenscyclus
Rups: begin juni-half juli en half augustus-eind april. De soort overwintert als halfvolgroeide rups in de strooisellaag. De jonge rups eet de onderzijde van het weefsel van het blad en beschadigt de bovenste bladlaag niet; deze mineergang is vrij opvallend. Grotere rupsen eten van het volledige blad, de bloemen en de vruchten van de waardplant. De verpopping vindt plaats in de strooisellaag vlak bij de waardplant.

Vliegtijd
Begin mei-eind juni en begin juli-begin oktober in twee, soms drie generaties. De vlinders besteden relatief veel tijd aan het zoeken van nectar van onder andere boerenwormkruid en duizendblad. De vlinders brengen de nacht door in groepjes, waarbij ze met de kop naar benenden in de vegetatie hangen.

Waardplant
Diverse soorten ooievaarsbek, met name kleine ooievaarsbek en gewone reigersbek.

Donker pimpernelblauwtje

Herkenning
Kenmerk: Voorvleugellengte: circa 17 mm. De bovenkant van de vleugels is bij het mannetje dof donkerblauw met een sterke bruine bestuiving; zwarte vlekken zijn niet altijd aanwezig. Het vrouwtje is bruin met weinig blauwe wortelbestuiving. De onderkant van de vleugels is kaneelbruin met slechts een enkele rij vage vlekjes langs de achterrand. De kaneelbruine onderkant is het meest betrouwbare kenmerk van deze vlinder.

Ecologie
Ruige begroeiingen van vochtige, matig voedselrijke graslanden die in beheer zijn als hooiland en een tot twee keer per jaar worden gemaaid. Zulke plaatsen zijn te vinden in beekdalen, nabij moerassen, in vochtige graslanden en langs wegbermen.rnDe soort heeft een voorkeur voor enigszins ruige graslandvegetaties, omdat daar de nesten van de waardmier te vinden zijn. Bovendien is de grote pimpernel hier hoger en is sterker vertakt dan op gemaaide percelen en heeft doorgaans grotere bloemhoofdjes. Een populatie kan lange tijd overleven in zeer kleine, dynamische gebieden, zoals wegbermen en slootkanten, mits voldoende mierennesten aanwezig zijn.

Voorkomen
Het donker pimpernelblauwtje is sinds 1970 verdwenen uit Nederland. In 1990 werd de soort geherintroduceerd in de Moerputten in Noord-Brabant en sindsdien geldt de soort als een uiterst zeldzame standvlinder. In 2001 heeft het donker pimpernelblauwtje zich spontaan gevestigd in de omgeving van Posterholt in Limburg. Helaas is hij inmiddels weer verdwenen uit Brabant.

Levenscyclus
Rups: begin augustus-begin juli. Jonge rupsen eten van de zaden van de waardplant. Na de derde vervelling laat de rups zich op de grond vallen en wacht tot hij wordt meegenomen door een gewone steekmier (Myrmica rubra); soms is de moerassteekmier (M. scabrinodis) de waardmier van het donker pimpernelblauwtje. De soort overwintert als rups in het mierennest en daar vindt ook de verpopping plaats.

Vliegtijd
Begin juli-half augustus in één generatie. De vlinders verschijnen vroeg in de ochtend, als de mieren nog rusten. Ze voeden zich met nectar van onder andere grote pimpernel. De mannetjes besteden veel tijd aan het zoeken van nectar en aan het maken van patrouillevluchten. De vrouwtjes paren al meteen de eerste dag dat ze uit de pop gekomen zijn en beginnen direct daarna met het afzetten van de eieren.

Waardplant
Grote pimpernel.

Hooibeestje

Herkenning
Kenmerk: Voorvleugellengte: circa 15 mm. De bovenkant van de vleugels is oranje met een smalle bruine rand. In de vleugelpunt van de voorvleugel bevindt zich op de bovenkant een kleine zwarte oogvlek, die ook aan de onderkant van de vleugel te zien is en daar witgekernd is. Deze oogvlek is bij het vrouwtje op de bovenkant scherper afgezet dan bij het mannetje. Op de onderkant van de achtervleugel bevinden zich geen of bijna geen oogvlekken.

Kenmerken rups: Tot 18 mm; lichaam groen, fijn wit gespikkeld, met een donkergroene middenstreep overde rug met aan weerszijden een donkergezoomde, witachtige lengtestreep; onder de spiracula een groenachtig witte lengtestreep; staartjes roze-achtig met witachtige uiteinden; ronde groene kop.

Ecologie
Open, droge tot vrij vochtige en vrij voedselarme graslanden, heiden en pioniersvegetaties met een voorkeur voor mozaïekvormige vegetaties.
Nectar wordt door het hooibeestje gevonden in de ruigere en bloemrijkere gedeelten van het genoemde habitat. De hoogste dichtheden hooibeestjes worden gevonden in droge heidegebieden.

Voorkomen
Een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt; de meeste waarnemingen worden gedaan op de zandgronden en in de duinen.

Levenscyclus
Rups: eind juni-half juni. De soort overwintert als halfvolgroeide rups; op warme winterdagen is de rups soms actief. De verpopping vindt plaats aan een stevige grasstengel laag bij de grond.

Vliegtijd
Eind april-eind september in twee elkaar overlappende generaties. De vlinders zoeken nectar in ruigten en bloemrijke graslanden op allerlei soorten planten. De mannetjes bezetten een territorium en maken patrouillevluchten.

Waardplant
Diverse grassen, waaronder reukgras, zwenk- en beemdgrassen.

Landkaartje

Herkenning
Kenmerk: Voorvleugellengte: voorjaarsgeneratie 16-18 mm, zomergeneratie 17-21 mm. Vlinders van de voorjaarsgeneratie en de zomergeneratie verschillen sterk van elkaar, maar de onderkant van de vleugels vertoont altijd een karakteristiek landkaartpatroon. Bij vlinders van de voorjaarsgeneratie is de bovenkant van de vleugels oranjebruin met een zwart vlekkenpatroon, waardoor de vlinder enigszins doet denken aan een parelmoervlinder. De vlinders van de zomergeneratie hebben zwarte bovenvleugels met langs de achterrand een oranjerode gevlekte band en over het midden van de vleugel een witte band.

Kenmerken rups: Tot 22 mm; lichaam zwart, fijn wit gespikkeld, met gebroken geelachtig bruine lengtestrepen over rug en flanken; doorns zwart of oranjegeel met gezwollen basis; buikpoten geelachtig bruin; kop zwart met twee fijngedoornde uitsteeksels.

Ecologie
Ruigten en graslanden in de buurt van vochtige bossen, heggen en houtwallen, open plekken in het bos en bosranden; ook tuinen en parken.
Het leefgebied van de voorjaars- en zomervorm verschilt enigszins. In het voorjaar is de vlinder vooral op halfopen plaatsen nabij het bos te vinden, bijvoorbeeld in de bosrand. ’s Zomers vliegen ze ook op meer schaduwrijke plaatsen, zoals in het bos. De rupsen leven op brandnetels op beschaduwde en zeer vochtige plaatsen, zoals langs beken of in donkere bosranden.

Voorkomen
Een algemene standvlinder die verspreid over het hele land voorkomt. In de tweede helft van de twintigste eeuw heeft deze soort zich vanuit het oosten en zuiden over het hele land uitgebreid, tot op de Waddeneilanden toe.

Levenscyclus
Rups: eind mei-begin juli en begin augustus-half september. Jonge rupsen leven in grote groepen bijeen in rupsennesten, volwassen rupsen leven solitair. De soort overwintert als pop, hangend aan een stengel in de kruidlaag. Eiafzetting vindt plaats in de vorm van korte kettinkjes (tot 10 eitjes per streng) onder brandnetelbladeren.

Vliegtijd
Half april-eind juni en begin juli-half september in twee generaties. De vlinders zoeken vooral ‘s morgens en laat in de middag naar nectar. De mannetjes verdedigen een territorium of maken patrouillevluchten langs een bosrand; in de middag scholen de mannetjes vaak samen bij een opvallende struik.

Waardplant
Grote brandnetel.

Aardbeivlinder

Herkenning
Kenmerk: Voorvleugellengte: circa 11 mm. De bovenkant van de vleugels van dit kleine dikkopje is donkerbruin met veel scherp afgezette, witte vlekken; langs de achterrand van zowel de voor- als de achtervleugel bevindt zich een rij kleine, grijze vlekken. Het meest opvallende kenmerk is een scherpe witte vierkante vlek met een driehoekige insnijding op de bovenkant van de achtervleugel (‘kiesje’). De onderkant van de achtervleugel is lichtbruin; de grote witte vlekken staan in een rij maar vormen geen aaneengesloten band

Kenmerken rups: Tot 19 mm; korrelig ruwe huid; lichaam groen, op de rug bruinachtig geel met donkerder olijfbruine strepen; kop groot en zwart.

Ecologie
Zowel droge als vochtige terreinen met een afwisseling van lage en hoge vegetaties.
Geschikte droge gebieden zijn droge graslanden, zeeduinen, heiden, lage pioniersvegetaties, kapvlakten en schrale zomen langs bosranden. De vegetatie is er laag en de waardplanten groeien in een hoge dichtheid (5-20 planten per m2). Zo wordt in de duinen dauwbraam met kruipende uitlopers gebruikt die groeit in een lage vegetatie, veelal kort gehouden door konijnen.Geschikte vochtige gebieden zijn vochtige graslanden en moerassen met een lage vegetatie. Het grondwater staat hier plaatselijk tot aan het maaiveld. De dichtheid aan vlinders is in vochtige graslanden doorgaans hoger dan in droge heiden of duinen.

Voorkomen
Een zeldzame standvlinder die zeer lokaal voorkomt. De belangrijkste populaties bevinden zich in De Wieden, op de Hoge Veluwe, in de Amsterdamse Waterleidingduinen en aan de randen van het Bargerveen. Daarnaast enkele kleine populaties, bijvoorbeeld in het Utrechtse Veenweidegebied.

Levenscyclus
Rups: begin augustus-half mei. De jonge rups spint een kokertje door een blad naar boven te vouwen; grotere rupsen spinnen meerdere bladeren samen tot een soort kokertje. De rupsen eten meestal in de avond en in de vroege ochtend. De verpopping vindt plaats in een losse cocon in de kruidlaag; de soort overwintert als pop. De eieren worden afgezet op jonge planten in lage vegetatie aan de onderkant van een blad (één eitje per blad).

Vliegtijd
Begin mei-half juni in één generatie. De vlinders voeden zich met nectar van verschillende kruiden; soms zijn ze ook te vinden op bramen in de bosrand. De mannetjes verdedigen een territorium vanaf een hoge plek, zoals een grashalm of een bloemknop.

Waardplant
Vooral tormentil (in het binnenland) en dauwbraam (in de duinen).