Bruine korenbout

Herkenning
42-45 mm. Vrij breed gebouwde libel. Basis van de achtervleugels met duidelijke donkere vlek, basis van de voorvleugels met een zwart streepje. De aders in de donkere vlekken zijn opvallend oranje. Uiterste toppen van de vleugels met een vaag maar kenmerkend donker vlekje, vooral duidelijk bij vrouwtjes. Mannetje: na het uitsluipen is het achterlijf oranje, met een zwarte rugstreep die naar achter toe breder wordt. Uitgekleurde mannetjes zien er echter heel anders uit: alle oranje delen van kop, borststuk en achterlijf worden zwart en het achterlijf krijgt daar overheen een lichte blauwe berijping. De punt van het achterlijf blijft donker. De ogen verkleuren van bruin bij jonge mannetjes naar blauwgrijs bij oudere mannetjes. De donkere vleugeltopjes zijn bij uitgekleurde mannetjes soms niet zichtbaar. Mannetjes die nog niet erg oud zijn (maar al wel blauw berijpt zijn), hebben nog opvallende oranje voorste vleugeladers, waardoor het hele dier een zeer kleurrijke indruk maakt. Vrouwtje: als jonge mannetjes: grotendeels oranje met een wigvormige zwarte streep op de rug van het achterlijf. Oude vrouwtjes verkleuren naar donkerbruin en de ogen worden grijzig. Heel soms komen vrouwtjes met blauwe berijping voor, die sterk op uitgekleurde mannetjes lijken.

Ecologie
Laagveenmoerassen, plassen, kanalen en brede sloten, met een goed ontwikkelde oevervegetatie, meestal met riet.

Voorkomen
Vrij zeldzaam

Levenscyclus
De larven overwinteren twee keer. Uitsluipen gebeurt van eind april tot begin juni.

Vliegtijd
Van eind april tot en met begin september. Vliegpiek in mei en juni. Juveniele en jagende imago’s zijn meestel op beschutte, ruige plekken te vinden, zoals open rietlanden en ruigte langs bosranden. Geslachtsrijpe mannetjes vertonen territoriaal gedrag langs de waterkant, waarbij ze korte patrouillevluchten maken vanaf een uitkijkpost aan de waterkant (bijvoorbeeld een over het water hangende rietstengel). Andere mannetjes worden verjaagd, maar bij hoge dichtheden worden ze toleranter ten opzichte van elkaar. Passerende vrouwtjes worden direct benaderd voor de paring. Eitjes worden door het vrouwtje los in het water afgezet, op de overgang van open water naar oevervegetatie. De vrouwtjes worden hierbij meestal niet door het mannetje begeleid.

Hoogveenglanslibel

Herkenning
45-51 mm. Achterlijf zeer donker glimmend groen, meestal zwart lijkend. Borststuk metaalgroen met gouden glans. Ogen eerst dofbruin, later felgroen glimmend, sterk contrasterend met het donkere achterlijf. Voorhoofd met gele tekening. Mannetje: achterlijf slank, met sterke insnoering ter hoogte van segment 3. Breedste punt ter hoogte van segment 6. Smal geel ringetje op de grens van segmenten 2 en 3. Achterlijfsaanhangselen tangvormig gebogen, als bij een oorworm. Vrouwtje: minder duidelijk ingesnoerd. Grote, ronde gele vlek aan beide zijden van achterlijfssegment 3. Geen duidelijk zichtbare legschede.

Ecologie
Levend hoogveen, met kleine veenputten die zijn dichtgegroeid met veenmossen.

Voorkomen
Zeer zeldzaam. In Nederland zijn zeven kleine populaties bekend, maar het is niet uitgesloten dat de soort gevonden kan worden in nog enkele andere hoogveenrestanten.

Levenscyclus
Een klein deel van de (laat afgezette) eieren overwintert, maar het merendeel komt voor de winter uit. De larven leven op zeer voedselarme plaatsen en hebben daardoor een lang larvenstadium. Meestal worden drie winters als larve doorgebracht, soms twee, vier of vijf. Uitsluipen gebeurt vanaf eind mei tot eind juli, maar vooral in juni.

Vliegtijd
Eind mei tot eind augustus, hoogste aantallen in juni en juli. Hoogveenglanslibellen kunnen makkelijk over het hoofd worden gezien. Pas uitgeslopen dieren vliegen weg van de veenputjes waar ze uit komen en zoeken beschutting in het bos. Ook oudere imago’s zijn niet vaak bij het water aan te treffen en vliegen het grootste deel van de tijd in de beschutting van boompjes in het hoogveen, of langs bosranden aan de rand van het veen. Na een korte glimp verdwijnen de dieren hier vaak uit het oog, zodat het onderscheid met de gevlekte glanslibel moeilijk is. Boven de veenputjes waarin de larven leven, kan van tijd tot tijd een patrouillerend mannetje worden gezien. Ze blijven vaak geruime tijd boven een putje heen en weer vliegen, waardoor ze goed te bekijken zijn. Ook ei-afzettende vrouwtjes kunnen bij de veenputjes gevonden worden. Ze vliegen laag over de vegetatie en verdwijnen met grote regelmaat tussen de sprieten om eitjes af te zetten, waarbij ze opvallend met de vleugels ritselen.

Noordse winterjuffer

Herkenning
36-39 mm. Lichtbruin tot oranjebruin lichaam, met donkere bronskleurige tekening op achterlijfsrug en borststuk (bij jonge dieren met groene glans). De donkere figuurtjes op het achterlijf zijn torpedovormig. In het voorjaar vaak veel donkerder gekleurd, hierdoor effen donkerbruin lijkend. De ogen hebben dan vaak blauwe berijping. Pterostigma’s lang en bruin en in de voorvleugels dichter bij de top geplaatst dan in de achtervleugels. In rust worden de vleugels alle vier aan één kant van het lichaam samengehouden. De donkere strepen op de borststukrug hebben een uitstulping aan de onderkant. De donkere strepen op de zijkant van het borststuk (onder de schoudernaad) zijn relatief smal.

Ecologie
Voortplantingshabitat: petgaten en sloten in laagveenmoerassen, meestal met lisdodde en riet. Daarnaast ook plassen met brede rietkraag of andere laagveenachtige vegetatie. Overwinteringshabitat: beschutte plaatsen in heidevelden, velden van pijpenstrootje, halfopen (moeras)bossen met ondergroei van pijpenstrootje.

Voorkomen
Zeldzaam.

Levenscyclus
Samen met bruine winterjuffer de enige Europese libel die als imago overwintert. De imago’s kunnen daardoor uitzonderlijk oud worden, tot wel tien maanden. In het vroege voorjaar vindt de voortplanting plaats en worden de eitjes afgezet. Vervolgens ontwikkelen de larven zich binnen drie maanden tot imago’s, die in de nazomer verschijnen. Wanneer het kouder wordt begint de overwintering.

Vliegtijd
In het voorjaar, wanneer de voortplanting plaats vindt, vooral actief van eind maart tot eind mei, met een piek van eind april tot half mei. Op zonnige dagen kunnen actieve imago’s echter nog vroeger in het voorjaar worden waargenomen, of zelfs in de winter. De nieuwe generatie vliegt van eind juli tot in november, met een piek van half augustus tot en met begin oktober. In juni en de eerste helft van juli zijn waarnemingen schaars. Imago’s rusten vaak op houtige of verdorde plantenstengels en drukken zich hier in de lengterichting tegenaan. Hierdoor vallen ze nauwelijks op, totdat ze een stukje verder vliegen. In het voorjaar planten noordse winterjuffers zich voort en zijn dan hoofdzakelijk aan de waterkant en aangrenzend rietland aan te treffen. Eieren worden doorgaans in tandem afgezet in drijvend plantenmateriaal. Meestal zijn dit dode stengels en bladeren van lisdodde of riet. De nieuwe generatie heeft na het uitsluipen geen binding meer met het water en kan ver van de voortplantingshabitat worden aangetroffen. Imago’s zijn dan meestal jagend of rustend aan te treffen op beschutte plaatsen, bijvoorbeeld in bosranden en op heidevelden. Voor de overwintering zoeken ze beschutte plekjes op in bijvoorbeeld heidestruiken en pijpenstrootjepollen, meestal in de beschutting van bos.

Grote keizerlibel

Herkenning
64-84 mm. Grootste vertegenwoordiger van de glazenmakerfamilie. Borststuk vrijwel eenkleurig groen. Tekening op voorhoofd bestaande uit zwart vijfhoekje en zwarte streep, met daartussen een blauwe lijn. Mannetje: achterlijf hemelsblauw met zwarte lengtestreep. Ogen groen met blauwe tint. Vrouwtje: achterlijf groen (soms flets blauw), met brede donkerbruine lengtestreep. Bij jonge vrouwtjes kan de groene kleur op borststuk en achterlijf bruinig worden. Ogen groen, vaak met bruine tint. Vleugels vaak met een lichte bruine beroking, zichtbaar in zowel de basale helft als de tophelft van de vleugels. Pas uitgeslopen dieren (mannetjes en vrouwtjes) hebben een gelig achterlijf.

Ecologie
Plassen, poelen, vennen, vijvers, sloten en langzaam stromende wateren.

Voorkomen
Zeer algemeen

Levenscyclus
De larven overwinteren een of twee keer. De larven die een tweede winter doorbrengen doen dit als volgroeide larve, waardoor ze al in mei in een korte periode kunnen uitsluipen. De larven die na een winter al uitsluipen doen dit later en verspreid over een langere periode: juni tot en met eind augustus.

Vliegtijd
Van half mei tot en met eind oktober, grootste aantallen van half juni tot eind augustus. Mannetjes patrouilleren langdurig boven water en oever, waarbij ze hun achterlijf kenmerkend licht gebogen houden. Andere grote libellen worden verjaagd. Net als andere glazenmakers maken grote keizerlibellen lange jachtvluchten op beschutte plaatsen, zoals bosranden, heidevelden, enz. Soms worden daarbij grote prooien gegrepen, waaronder vlinders en andere libellen. In tegenstelling tot andere keizerlibellen zet het vrouwtje solitair de eitjes af, meestal in drijvend plantenmateriaal. Vaak gebeurt dit aan het einde van de middag.

Steenrode heidelibel

Herkenning
35-40 mm. Poten zwart met gele strepen. Dijen van de voorste poten meestal tweekleurig: zwart-geel, soms met nog een zwart veegje in het geel. Het zwarte streepje op het voorhoofd (tussen de ogen) loopt langs de oogranden naar beneden (de zogenaamde ‘;hangsnor’). Mannetje: achterlijf met een subtiele, maar meestal duidelijke knotsvormige verbreding aan het uiteinde. Uitgekleurde mannetjes krijgen een rood achterlijf: meestal iets donkerder dan de bruinrode heidelibel, maar lichter dan de bloedrode heidelibel. De zijkant van het borststuk verkleurt naar bruin, met vage lichtere delen. Jonge mannetjes lijken qua kleur op vrouwtjes. Vrouwtje: achterlijf geel, later verkleurend tot bruin. Aan de zijkant van het achterlijf staan zwarte streepjes, die geen doorlopende streep vormen. Legschede in zijaanzicht haaks van het achterlijf afstaand: opvallend zichtbaar.

Ecologie
Allerlei stilstaande en zwak stromende watertypen, met veel zon. De steenrode heidelibel is in tegenstelling tot de bruinrode heidelibel geen pioniersoort en komt vooral voor op plaatsen met een goed ontwikkelde oevervegetatie.

Voorkomen
Zeer algemeen

Levenscyclus
De steenrode heidelibel heeft een eenjarige levenscyclus en overwintert als ei. De eieren komen in het voorjaar uit, waarna de larven zich snel ontwikkelen. Uitsluipen vindt plaats van begin juni tot eind september, met een piek van eind juli tot begin september.

Vliegtijd
Nazomersoort: begin juni tot half november, met een piek van eind juli tot half september. Steenrode heidelibellen vertonen ongeveer hetzelfde gedrag als de meeste andere heidelibellen. Jonge dieren zijn in de wijde omtrek van het voortplantingswater aan te treffen, zittend en jagend in ruige vegetatie. Geslachtsrijpe mannetjes vliegen bij het water en gaan regelmatig zitten op uitstekende stengels in de oevervegetatie. Ze speuren naar vrouwtjes voor de paring. Mannetjes die dichtbij komen worden meestal verjaagd. De eitjes worden vliegend in tandempositie afgezet, in het water of op modder vlakbij het water. Soms worden meerdere ei-afzettende tandems op een plaats tegelijk waargenomen.

Gewone bronlibel

Herkenning
74-85 mm. Grootste libel van Nederland, grootste exemplaren ietsje groter dan de grote keizerlibel. Vrouwtjes gemiddeld groter dan mannetjes. Achterlijf zwart, met op de meeste segmenten twee gepaarde gele vlekjes (midden op segment) en twee gepaarde kleine gele streepjes (bij achterrand segment). Borststuk zwart met gele strepen. Ogen groen. Kenmerkend voor de familie bronlibellen is dat de ogen elkaar bovenop de kop slechts in één punt raken. Mannetje: duidelijke knotsvormige verbreding van het achterlijf, ter hoogte van segmenten 7-9. Vrouwtje: lange legschede, die duidelijk voorbij het uiteinde van het achterlijf steekt.

Ecologie
Schone, zuurstofrijke bovenlopen van beken, vaak met veel schaduw.

Voorkomen
Zeer zeldzaam

Levenscyclus
Het larvenstadium duurt lang. Bij gunstige omstandigheden kan de soort na twee winters al uitsluipen, maar meestal overwintert de soort drie of vier keer, soms zelfs vijf keer. Uitsluipen gebeurt van eind mei tot begin augustus, met de hoogste aantallen tussen half juni en half juli.

Vliegtijd
Eind mei tot en met eind augustus. Hoogste aantallen vanaf half juni tot en met eind juli. De meeste waarnemingen worden gedaan van patrouillerende mannetjes die rustig heen en weer vliegen boven de beek, laag boven het water. Op die wijze wordt een tijdelijk ‘;territorium’ van vaak meerdere tientallen meters verdedigd tegen andere mannetjes. Vrouwtjes die zich bij het water laten zien worden direct gegrepen voor de paring, wat meestal in het bos plaatsvindt. Eitjes worden solitair door het vrouwtje in vlucht afgezet, op een zeer karakteristieke manier: het achterlijf wordt recht naar beneden gehouden en met snelle op-en-neergaande vliegbewegingen prikt ze de legschede in het bodemsubstraat van de beek, waarbij steeds enkele eitjes worden afgezet (‘;naaimachinemethode’). Gewone bronlibellen jagen op zonnige plekken in de buurt van bos, bijvoorbeeld langs bosranden of boven bospaden. Ze vliegen hierbij met hoge snelheid en vaak op meerdere meters hoogte.

Zuidelijke glazenmaker

Herkenning
57-66 mm. Kleine glazenmaker, vergelijkbaar formaat als paardenbijter. Achterlijf donker met mozaïektekening van licht gekleurde vlekken. Zijkant borststuk licht gekleurd, met dunne zwarte naden. Schouderstrepen kort. Pterostigma’s licht bruin. Rugzijde achterlijfsegment 2 met kenmerkende tekening (blauw bij mannetjes, geel bij vrouwtjes): taps toelopende langwerpige vlek, met twee losse dwarsstreepjes. Mannetje: opvallend azuurblauw getekend. Lichte mozaïektekening op achterlijf bestaat uit grote blauwe vlekken, die allen dezelfde kleur blauw hebben. Ogen geheel fel blauw. Zijkant borststuk geel of groenachtig, vaak deels met blauwe waas. Hierin staan drie dunne zwarte naadstrepen. Door de grote hoeveelheid blauw en het groenige borststuk doen de mannetjes op het eerste gezicht denken aan een klein formaat grote keizerlibel. Vrouwtje: achterlijf met oranjebruine grondkleur (in plaats van zwart), met daarop een mozaïektekening van citroengele tot groengele vlekjes. In zeldzame gevallen zijn deze vlekjes blauw (lijkend op mannetje). De laatste segmenten hebben wel een zwarte grondkleur. Ogen aan bovenzijde bruin, aan onderzijde geel. Zijkant borststuk geel met drie dunne zwarte naadstrepen.

Ecologie
Ondiepe poelen, (duin)plassen, uiterwaarden en andere natte plaatsen met een uitgebreide moerasvegetatie. Vaak vindt tijdelijke droogval plaats.

Voorkomen
Zeldzaam, maar het aantal waarnemingen neemt de laatste jaren toe.

Levenscyclus
De larven brengen een, soms twee winters door. Ze ontwikkelen zich snel in ondiep, snel opwarmend water. Uitsluipen gebeurt gedurende een korte periode. In Zuid-Europa ligt de uitsluippiek rond eind mei-begin juni. In Nederland is voortplanting tot nu toe nog slechts sporadisch vastgesteld, maar uitsluipende larven kunnen vermoedelijk vooral in juli worden verwacht.

Vliegtijd
Meeste waarnemingen in juli tot en met september. Mannetjes vallen op door hun zeer blauwe verschijning en hun kalme patrouillevlucht, op 1 à 2 meter boven de grond. Door hun kleur, houding en enigszins gebogen achterlijf doen de mannetjes in eerste instantie vaak even denken aan een klein formaat grote keizerlibel. Eitjes worden afgezet in stengels van moerasplanten. Dit gebeurt meestal in tandempositie, in tegenstelling tot andere glazenmakers en in overeenstemming met keizerlibellen.

Oostelijke witsnuitlibel

Herkenning
33-39 mm. Achterlijf gevormd zoals bij de meeste andere witsnuitlibellen: vrijwel zonder knotsvormige verbreding aan het uiteinde. Achterlijfsaanhangselen wit, pterostigma’s donkerbruin tot zwart (beide geslachten). Achterlijf nooit met roodbruine vlekken. Mannetje: uitgekleurde mannetjes hebben een geheel donker achterlijf, met helemaal aan het begin van het achterlijf een lichte blauwgrijze berijping. Deze berijping is vaak ook bovenop het borststuk (tussen de vleugelaanhechtingen) zichtbaar. De witte achterlijfsaanhangselen steken duidelijk af tegen het zwarte achterlijf. De ogen worden blauwgrijs. Jonge mannetjes hebben nog geen berijping en zien eruit zoals vrouwtjes. Vrouwtje: achterlijf geheel donker, met bovenop de achterlijfssegmenten smalle gele vlekjes of lengtestreepjes. Bij sommige vrouwtjes zijn deze gele vlekjes alleen aan het begin van het achterlijf aanwezig en is de rest van het achterlijf helemaal zwart.

Ecologie
Vennen en hoogveenplassen.

Voorkomen
Zeer zeldzaam, in Nederland slechts één populatie.

Levenscyclus
De larven overwinteren meestal twee keer. Uitsluipen gebeurt van eind mei tot begin juli.

Vliegtijd
Korte vliegtijd: eind mei tot eind juli, hoogste aantallen in juni. Jonge imago’s vliegen weg van het water en brengen veel tijd door in bomen en struiken, waar ze moeilijk vindbaar zijn. Geslachtsrijpe mannetjes keren terug naar het water en vertonen daar territoriaal gedrag. Vanaf allerlei zitplaatsen in de oevervegetatie maken ze korte vluchten laag over het water, waarbij andere mannetjes fanatiek worden verjaagd. In tegenstelling tot de sierlijke witsnuitlibel gaan de mannetjes slechts af en toe zitten op drijvende bladeren van waterlelie of gele plomp. Vrouwtjes die zich bij het water wagen worden direct gegrepen voor de paring, die meestal plaatsvindt in bomen of struiken. De eitjes worden meestal solitair door het vrouwtje afgezet, los in het water tussen de vegetatie.

Viervlek

Herkenning
40-48 mm. Libellen met een vrij breed achterlijf dat taps toeloopt en in een punt eindigt. Mannetjes en vrouwtjes vergelijkbaar getekend. Achtervleugels met een donkere vlek in de basis. De aders in de donkere vlekken zijn opvallend geel. Halverwege de voorranden van de vleugels staat een donker vlekje, dat niet voorkomt bij andere libellensoorten. Sommige exemplaren hebben bij deze vlekjes, en bij de pterostigma’s, een extra donkere veeg in de vleugels (vorm praenubila). Achterlijf bij jonge dieren overwegend oranje met contrasterende zwarte punt. De segmentranden hebben gele zomen. Oudere dieren worden donkerbruin met een grijze zweem, de zwarte punt vormt dan geen contrast meer. In het achterlijf zijn vaak opvallende luchtbellen zichtbaar. Ogen roodbruin. Gezicht crème, soms bijna wit.

Ecologie
Allerlei stilstaande, niet te grote en vaak zure wateren. Grootste aantallen in vennen en hoogveen, lagere aantallen in laagveen en (duin)plassen.

Voorkomen
Zeer algemeen

Levenscyclus
De larven overwinteren twee of drie keer, soms maar een keer. Uitsluipen gebeurt van eind april tot half juli.

Vliegtijd
Van eind april tot begin september. Jonge imago’s zijn te vinden in de buurt van het voortplantingswater, bijvoorbeeld in heidegebieden of langs bosranden. Geslachtsrijpe mannetjes vertonen territoriaal gedrag aan de waterkant. Ze zitten hier op uitkijkposten (bijvoorbeeld een pijpestrootjestengel) en maken korte vluchten waarbij ze ander mannetjes verjagen en vrouwtjes grijpen voor de paring. Eitjes worden door het vrouwtje los in ondiep water afgezet, waarbij ze beschermd wordt door het mannetje. Het mannetje blijft boven haar vliegen en probeert andere mannetjes die willen paren te verjagen. Op sommige plaatsen en in sommige jaren kan de dichtheid aan viervlekken erg hoog zijn. Uit andere delen van zijn areaal, maar vroeger ook uit Nederland, zijn gevallen bekend van enorme zwermen viervlekken, die miljoenen exemplaren kunnen omvatten.

Blauwe breedscheenjuffer

Herkenning
35-37 mm. Lichte poten met verbrede schenen en een zwarte lengtestreep aan de buitenzijde. Kop breder dan bij andere juffers, met twee lichte dwarsstrepen. Borststuk met twee lichte schoudernaadstrepen in plaats van een, hierdoor een ‘;drukke’ indruk makend. Pterostigma’s oker tot roodbruin. Mannetje: achterlijf flets blauw (soms bijna wit) met variabele zwarte tekening. Op segmenten 1 tot en met 6 meestal een dunne zwarte lengtestreep. Op segmenten 7 tot en met 10 is deze streep breder en over de lengte in tweeën gedeeld. Vrouwtje: lichaamskleur beige, bij jonge dieren met oranje tint. Bovenzijde achterlijf met dubbele zwarte streep, die naar achter toe breder wordt. Op segmenten 2 tot en met 6 is deze streep vaak gereduceerd tot twee zwarte puntjes.

Ecologie
Langzaam stromende beken, rivieren en kanalen. Daarnaast ook in grote, zuurstofrijke plassen en visvijvers.

Voorkomen
Algemeen op de hoge zandgronden, elders zeldzaam.

Levenscyclus
De larven brengen meestal twee, maar soms een winter door. Larven die tweemaal hebben overwinterd sluipen uit in mei en juni, larven die eenmaal hebben overwinterd eind juli of begin augustus.

Vliegtijd
Van begin mei tot eind september, hoofdvliegtijd van eind mei tot half augustus. Er zijn twee piekjes in de vliegtijd te zien: eind mei-begin juni en eind juli-begin augustus. Dit heeft vermoedelijk betrekking op dieren die twee, respectievelijk een winter als larve hebben doorgebracht. Imago’s zijn te vinden in grasvegetaties langs de oever, maar ook op grazige plekken ver van het water. Bij verstoring vliegen vaak grote groepen uit het gras op. De paring is ook niet aan het water gebonden; de mannetjes wachten niet tot vrouwtjes naar het water komen, maar gaan zelf actief op zoek. Eitjes worden in tandem afgezet op allerlei drijvende en in het water staande planten. Dit gebeurt vaak groepsgewijs.