Huismuis

De huismuis is een algemene soort die vrijwel iedereen wel eens is tegengekomen. Hij heeft een kop-romplengte tot 10 cm en een bijna even lange staart die schaars en kort behaard is. Het gewicht is maximaal 33 g. In huis levende huismuizen zijn aan de rugzijde meestal donkergrijs, met een geleidelijke overgang naar de iets lichter gekleurde buik. In het veld levende dieren zijn meestal bruingrijs tot vaalbruin van boven, duidelijk afgescheiden van het lichtgrijs tot geelwit van de buik. De oren zijn relatief klein maar steken wijd uit, de ogen zijn klein en de snuit is spits.
Er worden 5-10 keer per jaar, na een draagtijd van circa 20 dagen, 4-12 jongen geboren. Binnen een populatie bestaat een hiërarchische structuur, waarbij dominante mannetjes de dienst uitmaken in een groep met een of meer volwassen vrouwtjes en onvolwassen dieren.

Haas

De vacht van de haas is grijs tot roodbruin, met uitzondering van de witte buik. Ook de onder- en zijkanten van de staart zijn wit, de bovenkant ervan is zwart, net als de buitenkant van de punten van de lange oren. De achterpoten zijn relatief lang. De kop-romplengte is maximaal 68 cm. Nederlandse hazen wegen maximaal 5 kg. De jongen (1-5) worden volledig behaard en met open ogen geboren. Ze worden gedurende een maand slechts eenmaal per dag gezoogd. Hazen hebben geen holen en rusten in een ondiep kuiltje, een zogenaamd leger, maar voor het werpen van de jongen wordt geen leger gemaakt. Over het algemeen worden hazen als solitair levende dieren beschouwd, maar groepsvorming komt regelmatig voor, met name ’s nachts. In het voorjaar worden soms overdag tot wel 25 hazen bij elkaar gezien.

Konijn

Het konijn lijkt op de haas maar is kleiner en heeft kortere oren zonder donkere punten. Het volwassen dier weegt tot 2,5 kg. Konijnen leven in groepen in zelfgegraven holen (burchten). Binnen de groepen bestaat per sekse een duidelijke rangorde. De jongen worden in een aparte nestkamer geboren. De jongen die wegtrekken en aan het eind van de zomer geen plek in een burcht hebben bemachtigd, leven in herfst en winter bovengronds. Doordat ze bij het foerageren het liefst dicht bij hun burcht blijven, door hun keutels en urine geconcentreerd op latrineplekken te deponeren en door het openkrabben van de grond zorgen konijnen voor toename van de botanische en faunistische diversiteit. Daarnaast is het konijn een belangrijke prooi voor onder meer buizerd, hermelijn, bunzing en vos. De soort is gevoelig voor nat en koud weer. Konijnen worden in het wild maximaal vier jaar oud.

Egel

De egel is een van de bekendste inheemse zoogdieren en is met geen enkel ander dier te verwarren. Hij is maximaal 31 cm lang en weegt dan tot ongeveer 1 kg. Voor de winterslaap kan een volwassen egel wel 1,5 kg wegen. Van de inheemse insecteneters is de egel de enige soort die een echte winterslaap houdt, die duurt van november tot eind maart. Het mag daarom opmerkelijk worden genoemd dat er ook uit de maanden december-februari meldingen zijn (bijna 4%; www.waarneming.nl). Een paar keer per maand wordt de slaap onderbroken. Meestal duren de wakkere perioden slechts een paar uur en blijven de egels in hun nest, maar soms kunnen ze enkele dagen actief blijven en ook van nestplaats veranderen. Er worden dan ook in de winter wel egels waargenomen die veelal niet ‘zielig’ zijn en die, tenzij ze duidelijk sterk vermagerd zijn, ook niet naar een egelopvang hoeven te worden gebracht.

Zwarte rat

De zwarte rat is wat kleiner en slanker dan de bruine rat. De vacht is niet altijd zwart, zoals de naam suggereert, maar kan op de rug variëren van zwart tot grijsbruin. De onderzijde is wit tot donkergrijs (soms zwart), met soms met een duidelijke demarcatielijn tussen rug- en buikkleur. In de vacht zitten langere donkere haren. De kop is vrij spits, met grote ogen en relatief lange snorharen. De oren zijn groot, dun en bijna kaal. De staart is eenkleurig, rolrond en altijd langer dan de kop-romplengte. De kop-romplengte is bij volwassen dieren tot 24 cm, de staartlengte tot 26 cm. Het gewicht is maximaal 280 g.
Zwarte ratten leven meestal in groepen, naar het schijnt zonder rangorde. De vrouwtjes zijn bij circa drie maanden geslachtsrijp. Er zijn 3-6 worpen per jaar; de gemiddelde worpgrootte is zeven.

Beverrat

De vacht van de beverrat is bruin op rug en flanken en wat lichter op de buik . Er zijn ook gefokte kleurvariëteiten, zoals grijs, zwart en bruingeel. De opvallende snijtanden zijn oranje, de stevige snorharen wit, de oren en voorpoten klein, de achterpoten met zwemvliezen groot. Jonge dieren hebben vaak een witte rand rond de neusgaten. De beverrat onderscheidt zich van bever en muskusrat door de ronde, bijna kale staart. Met een kop-romplengte tot 60 cm, een staartlengte tot 40 cm en een gemiddeld lichaamsgewicht van 6 kg zit hij qua grootte tussen bever en muskusrat in.
In Nederland is de voortplanting niet gebonden aan een bepaald jaargetijde, al lijken er in de voorzomer wat meer jongen te worden geboren. De gemiddelde worpgrootte is vijf; lacterende vrouwtjes kunnen kort na het werpen al weer drachtig zijn. Bijzonder is dat de tepels niet op de buik zitten maar op de flanken. Mannetjes zijn territoriaal; de leefgebieden van vrouwtjes en mannetjes overlappen. Bij hoge dichtheid leven vrouwtjes in familieterritoria.

Muskusrat

De muskusrat is bruin of bruinrood tot zwart op de bovenzijde; de buikzijde is lichter van kleur. Een volgroeid exemplaar heeft een kop-romplengte tot 35 cm, een staartlengte tot 25 cm en een gewicht tot 1,5 kg. De staart is zijdelings afgeplat, de voorpoten zijn relatief klein en de achterpoten verhoudingsgewijs groot. Het is een behendige zwemmer en duiker die tot een kwartier onder water kan blijven. Muskusratten blijven meestal nabij water, maar leggen tijdens de trekperioden in voor- en najaar lange tochten over land af.
Het voortplantingsvermogen is groot: in Nederland zijn er per jaar gemiddeld drie worpen met gemiddeld zeven jongen. Een vroeg in het seizoen geboren vrouwtje kan nog hetzelfde jaar zelf jongen krijgen, maar die worp is kleiner en de overleving van die jongen is gering. De aanwas kan bij gunstige situaties snel tot hoge dichtheden leiden. In Nederland komen zulke gunstige situaties veel voor. In enkele grote Zuid-Hollandse polders met 4000-5000 km watergang is een gemiddelde dichtheid van 15 dieren per kilometer vastgesteld; 51 gemerkte dieren verplaatsten zich gemiddeld over 1500 m, met een maximum van 6250 m.

Bruine rat

De bruine rat heeft een spitse kop met relatief kleine ogen en dikke, lichtbehaarde oren. De vacht is op de rug geel- tot grijsbruin, de flanken zijn lichter van kleur en de onderzijde is vuilwit tot grijs. De staart is rolrond, dik en altijd korter dan de kop-romplengte. Op de rug steken de dekharen niet zo duidelijk uit de vacht als bij de zwarte rat. De kop-romplengte is tot 30 cm, de staart is maximaal 22 cm, het gewicht maximaal 500 g.
De vrouwtjes worden, afhankelijk van de voedingssituatie, na 3-7 maanden geslachtsrijp, maar bij ruim anderhalf jaar neemt de vruchtbaarheid sterk af. In de tussentijd kunnen maximaal 6-8 maal jongen worden geworpen. De meeste jongen worden in het voor- en najaar geboren. De worpgrootte varieert tussen één en 15 jongen, maar ligt meestal tussen vier en acht.
Bij voldoende voedsel leven ratten veelal in kolonies van meerdere familiegroepen die elk een eigen gangenstelsel verdedigen. Jonge dieren graven in het gangenstelsel van de ouders voor zichzelf korte, blind eindigende gangen. Vrouwtjes komen doorgaans enkele tientallen meters van het nest, mannetjes honderden meters, afhankelijk van de voedselsituatie. Bij gezenderde dieren werd als maximale nachtelijke verplaatsing een afstand van hemelsbreed 3,3 km geconstateerd.

Rosse woelmuis

De rosse woelmuis heeft een voor een woelmuis vrij spitse snuit en duidelijk uitstekende oren. De vacht is op de rug en de kop opvallend rossig bruin, de flanken zijn grijs en de buik is witgrijs. De kop-romplengte is tot 13,5 cm, de staart is tweekleurig en relatief lang, ongeveer de helft daarvan. Het lichaamsgewicht is maximaal 40 g. In tegenstelling tot de andere woelmuizen is de rosse woelmuis overdag regelmatig te zien, foeragerend tussen de bladeren in een bosrijke omgeving. De soort laat zich eenvoudig met inloopvallen vangen, en zijn aanwezigheid is dus relatief eenvoudig vast te stellen. Veel waarnemingen hebben dan ook betrekking op vangsten.

Bosmuis

De bosmuis is binnen de familie van de ware muizen een middelgrote muis. De vacht is aan de rugzijde lichtbruin tot soms bijna zwart en aan de onderkant wit tot vuilwit; de overgang ertussen is iets minder scherp dan bij de grote bosmuis. Op de hals zit vaak een langgerekte gele keelvlek. De staart is lang, de ogen en oren vrij groot. De bosmuis neemt in Europa in grootte toe van het noordoosten naar het zuidwesten. Dieren uit het Rijnland hebben een kop-romplengte tot 9,5 cm, de staartlengte is nagenoeg gelijk of iets korter, het gewicht is maximaal 30 g.
Bosmuizen zijn voornamelijk nachtactief, maar vallen toch geregeld ten prooi aan buizerds, notoire dagjagers. De actieradius van bosmuizen kan wel tot 500 m van het hol reiken. Ze graven een eigen gangenstelsel met diverse kamers. Een hol is vaak te herkennen aan de zandkegel die voor de ingang ligt. De aantallen fluctueren sterk, afhankelijk van het seizoen en de hoeveelheid voedsel.